Visies op Israël

Dit boek van Paas [1] is een bewerking van zijn eerdere publicatie Christian Zionism Examined. In hoofdstuk 15 is ook een eerder artikel verwerkt, getiteld Je zult maar Palestijn zijn. Het boek telt ruim 300 bladzijden, is via voetnoten uitgebreid gedocumenteerd en voorzien van een bibliografie en een register.

Paas laat de theologische gevolgen zien van “Christelijk Zionisme” (Christelijke steun voor het [joodse] Zionisme, p. 19), maar hij geeft de voorkeur aan de naam “Israëlisme”, omdat onder die naam de complexe inhoud van het begrip meer tot zijn recht komt. Paas heeft die term nergens strak gedefinieerd, maar omschrijft de term op allerlei wijzen: “Een rijk geschakeerde beweging…waarvan de aanhangers…religieus gefascineerd zijn door het nabijbelse etnische, geografische en godsdienstige Israël”, p. 289; of: “christenen die in hun theologie plaats geven aan een aards Zion”, p. 31; of: “het Israëlisme stelt de Kerk in de schaduw van Israël”, p. 38. Op p. 22 somt Paas 5 kenmerken van het Israëlisme op. Ik vind de term “Israëlisme” net zo lelijk en onduidelijk als de term “Islamisme”, p. 18, en nodig Paas uit toch maar de term “Christenzionisme” te gebruiken, ondanks zijn bewaren daartegen, verwoord op p. 9.

Paas ziet “Israëlisme” als gevaarlijk: Het bedreigt de fundamenten van Kerk en theologie en ondergraaft de uniciteit van Jezus, p. 7; of: men geeft aan Zion de centrale plaats, die aan Christus gegeven zou moeten worden, p. 252; of: de grenzen van de klassieke christelijke leer worden overschreden, p. 21.

Het boek bevat 4 delen: Eerst beschrijft Paas het “Israëlisme”; in de hoofdstukken 3 t/m 6 geeft hij zijn eigen visie op de plaats van Israël in de Bijbel; daarna beschrijft hij in 7 t/m 15 de geschiedenis van het “Israëlisme”; tenslotte volgen in 16 en 17 conclusies en aanbevelingen.

Op hoofdlijnen ben ik het met Paas eens; heel blij ben ik met hoofdstuk 15, dat het onrecht, dat de Palestijnen ondervinden van de huidige staat Israël, voldoende weergeeft; goed is het dat hij het geweld van Mohammed niet zwaar aanzet, p. 16, en oog heeft voor het geweld dat kruisvaarders in petto hadden voor weerloze joden, p. 88. Ook ik heb me altijd geërgerd aan “Christenen voor Israël”, die bijna alles bejubelden wat de staat Israël deed en geen oog hadden voor het daarbij behorende onrecht. Ook voor mij mag Christus centraal staan en kan die plek niet ingenomen worden door “Zion”.

Maar de wijze van theologiseren en het dogmatisch stramien van Paas zijn mij geheel vreemd. Enkele voorbeelden: De Kerk heeft niet bestaan vanaf Genesis 3, p. 40, en was er ook niet vóór Israël, p. 41; dat de oudtestamentische beloften vervuld zijn in Christus, p. 61, is een passe-partout, zie ook p. 71 de 1e zin, waar het oude Israël als het ware opgaat in Christus. Paas hanteert het schema belofte-vervulling en heeft weinig of geen oog voor het eigene van het Eerste Testament.

Er zitten te veel herhalingen in dit boek. In hoofdstuk 3 geeft Paas zijn eigen mening, maar in de beide eerste hoofdstukken deed hij dat ook al; het millennialisme duikt overal op en wie zit nog te wachten op uitgebreide behandelingen van a-, non-, pre-, post- of dimillennianisme? Dat gehandeld wordt over millennianisme als achtergrond van “Israëlisme” is goed, maar één korte en bondige behandeling had kunnen volstaan. Eén overlapping, tussen de hoofdstukken 13 en 14, signaleert Paas zelf al op p. 165.

De nadruk op zending onder joden zoals Paas die invult, o.a. vanaf p. 272, roept onnodig weerstand op. Onze zending kan ook de dialoog zijn, zoals Paulus die al betrachtte in Handelingen 17; zeker ten aanzien van joden en moslims is de dialoog de aangewezen weg om met de ander in gesprek te komen, en dat is geen verloochening van “zending”.

Een voortdurend thema in het boek is ook de landbelofte, die op p. 64 zelfs vergeestelijkt wordt. Paas had veel kunnen hebben aan de dissertatie van Peter Diepold, Israels Land, 1972, waar het bezit van het land onlosmakelijk verbonden is en blijft aan het doen van gerechtigheid. Dat criterium geldt ook voor de huidige staat Israël. Daarom moet de landbelofte niet vervluchtigen, zoals Van der Kooi en Van den Brink terecht zeggen, p. 190, en Paas moet hun “Dogmatiek” niet behandelen onder het opschrift “Israëlisme”. Evenmin zie ik de geest van “Israëlisme” in de PKN als instituut. Bij de behandeling van de “IP nota”, waarover Paas spreekt, p. 209, was ik zelf synodelid; waarover ik me opwond was de onkritische blik van sommige synodeleden op de huidige staat Israël; maar veel “Israëlisme” heb ik niet bemerkt. Ook de “onopgeefbare verbondenheid” uit de kerkorde versta ik niet als een voorbeeld van “Israëlisme”, maar van een terechte conclusie dat de kerk geënt is op de joodse wortel, zoals Paulus in zijn brief aan de Romeinen duidelijk maakt. Die “joodse wortel” is uiteraard niet de staat Israël, waarmee we gelukkig niet “onopgeefbaar verbonden” zijn!

Naast deze opmerkingen bij enkele grote lijnen kan men kanttekeningen plaatsen bij veel details. Augustinus hield ook van allegorisch lezen, bij p. 25. Het verwijzen naar niet gepubliceerde studies, o.a. op p. 46, 50 en 63 kan beter achterwege blijven, want helpt de lezer niet verder. Soms hanteert Paas kromme taal, zoals op p. 51 in noot 2 (“Vgl. met het Israëlisme standpunt”) of p. 87 (“Het merkwaardige feit kan niet aan de aandacht ontgaan”). Veel hinderlijke drukfouten heb ik niet gezien, behalve op p. 232, waar een woord is weggevallen (“Palestijnen in Gaza en de West Bank geen burgers van de staat Israël”).

Mijn conclusie is dat het goed gedocumenteerde historische overzicht van Paas helpen kan om tegengas te geven aan huidige “Christenen voor Israël”, die al te onkritisch de staat Israël verheerlijken en het gevaar lopen theologisch uitverkoop te houden; maar de zeer dogmatische schema’s van Paas en zijn passe-partouts dat alles van het Oude Testament verwijst naar Christus, ervaar ik als knap benauwend. Dat Cornelius door God al zalig verklaard werd, voordat hij ooit van Jezus gehoord had (Handelingen 10) of dat andersgelovigen op grond van hun medemenselijkheid het Koninkrijk kunnen beërven, -daartoe door Jezus zelf binnengelaten- (Mattheüs 25:31-46), zulke gedachten zijn Paas geheel vreemd.[2]


[1] Steven Paas, Israëlvisies in beweging. Gevolgen voor Kerk, geloof en theologie, Kampen: Brevier Uitgeverij, 2014, ISBN 978-94-91583-35-3; de prijs is € 23,90.

[2] Voor een nadere onderbouwing, zie Kraan, Bijbel en Andersgelovigen, Kampen, 1987, p. 25-31 en p.70-73.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *