Christelijke Dogmatiek

Dr. G. van den Brink en dr. C. van der Kooi schreven een duidelijke, orthodoxe, niet-polemische, verantwoorde en kloeke inleiding in de christelijke geloofsleer.* Het boek is van meet af aan opgezet vanuit het perspectief van de triniteit en dat is winst. Het heeft ook aandacht voor seksualiteit, en dat is terecht maar ongewoon, al is het jammer dat over homoseksualiteit gezwegen wordt. Het boek is allereerst voor studenten bedoeld en is als zodanig geslaagd doordat het begrijpelijke taal gebruikt en zaken goed uitlegt, bijvoorbeeld in het beeld van een tweeling in de baarmoeder die zich geen voorstelling kan maken van het leven na de geboorte, p. 72v.

Ik heb het boek bekeken vanuit een specifieke vraagstelling: Hoe verhouden het christelijk geloof en de religies zich en wordt gehonoreerd dat God zich ten aanzien van andere religies niet onbetuigd heeft gelaten? In § 2.5 wordt gezegd dat het verschijnsel religie geen vanzelfsprekende toegangsweg tot het christelijk geloof is, want dit geloof heeft een gebroken verhouding tot religies. In dat verband krijgt op p. 75 Miskotte aandacht, die fenomenologisch drie grondtypen onderscheidde: heiden, jood en christen. Miskotte is echter op dit punt geen zuivere wegwijzer, zoals o.a. Anton Wessels in het vierde nummer van het blad Wereld en Zending in 1981 liet zien [‘Miskotte, wegwijzer voor de ontmoeting met moslims?’]. Bij de behandeling van de triniteitsleer verwijzen de auteurs naar de islam en stellen: ‘Maar wat de Koran verwerpt, is dus niet zozeer de christelijke drie-eenheidsleer, als wel een heidens of ketters geloof in meer goden’, en dat laat zich verdedigen [p.108]. Op diezelfde pagina wordt, eveneens wijs, geschreven: ‘In principe is het niet beslissend of men Allah beschouwt als identiek aan de God van de Bijbel of als een andere god. De christelijke dogmatiek stelt dan ook niet het een of het ander voor. In het eerste geval zal men immers altijd moeten aanvullen dat moslims en christenen God dan toch wel op zeer uiteenlopende manieren kennen, terwijl men in het tweede geval zal moeten toevoegen dat er wel degelijk overeenkomsten zijn tussen Allah en de God van de Bijbel.’ Dat alle godsdiensten op hetzelfde neerkomen wordt door de auteurs terecht afgewezen, p. 145. In § 5.5, p. 175, stellen de auteurs voor in plaats van ‘algemene openbaring’ te spreken over de ‘universaliteit van Gods openbaring’ en dat doet recht aan de zaak. In § 5.6, handelend over het christelijk geloof en de religies, gaat het om ‘de hoofdvraag van de zogeheten theologia religionum, de theologie van de religies: hoe kijken we christelijk-theologisch naar wat er gebeurt in de overige religies?’ [p. 181] Dat is echter veel te zwak uitgedrukt, want de dialoog bepaalt wezen en inhoud van de missiologie en de godsdienst: Van begin af zijn God en mens in gesprek en in de ontmoeting van mensen onderling kan duidelijk worden wie God is. Daardoor krijgt de theologia religionum een beperkte functie: Deze theologie levert een eerste standpunt om de dialoog binnen te gaan. Gelukkig dus dat de auteurs op p. 185 en 186 de rol van de [kritische] dialoog benadrukken! Dat de auteurs op p. 186 verwijzen naar een boek over de dialoog van Segers & De Vries is een behoorlijke misser, want dat boek heeft door de nadruk op het eigen gelijk geen weet van echte dialoog. Ik ben het van harte met de auteurs eens dat het volkenrecht toegepast moet worden als het gaat over het conflict tussen de huidige staat Israël en de Palestijnen, maar dan moet op p. 343 onder punt 4 het woord ‘niet’ toegevoegd worden: Veel ultraorthodoxe joden menen nu juist dat de oude grenzen van weleer opnieuw toegepast moeten worden. In § 12.7 had veel breder uitgewerkt kunnen en moeten worden wat de auteurs slechts aanduiden, bijvoorbeeld op p. 474: ‘Men leze … Fil. 4:8 voor wat ook buiten het erf van de christelijke gemeente aan goeds gestalte kan krijgen’ of p. 475: ‘moeten we misschien stellen dat de Geest ook sporen trekt buiten de directe omgeving van kerk en christendom’. Daarbij had men concrete verwijzingen kunnen maken naar humanisten en andersgelovigen. Uiteindelijk hoef je niet bij de kring van discipelen te horen om toch volgeling van Jezus te kunnen zijn in de werken die je doet, zie bijvoorbeeld Marcus 9:39. Bij de behandeling van het laatste oordeel op p. 666[!] had Mattheüs 25: 31-46 in de richting van andersgelovigen positiever kunnen worden uitgelegd. Dan had op p. 668 geschreven kunnen worden: ‘Zij die geleefd hebben volgens de regel van het Koninkrijk, humanisten en andersgelovigen inbegrepen, worden uitgenodigd het Koninkrijk binnen te gaan, en worden het eeuwige leven binnengeleid (Mat. 25:46)…’ [mijn aanvulling is cursief gedrukt].

Het boek is keurig uitgegeven en er staan nauwelijks drukfouten in. Af en toe wel vreemde vergissingen; één signaleerde ik hierboven al -de orthodoxe joden-, een tweede vinden we op p. 650 als het gaat over ‘De gelijkenissen van de tien schrandere en tien domme meisjes (Mat. 25:1-13)’; er zijn slechts 5 wijze en 5 dwaze meisjes… Uitgebreide registers maken het boek goed toegankelijk.

* G. van den Brink en dr. C. van der Kooi, Christelijke dogmatiek, een inleiding, Boekencentrum, Zoetermeer, 724p., € 55

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *