Het eigen karakter van elk evangelie

Wie aan moslims vraagt waarom ze zo weinig in de Bijbel lezen, krijgt vaak als antwoord dat de Bijbel niet betrouwbaar is. Want, bijvoorbeeld, in het evangelie naar Johannes staat het verhaal van de bruiloft te Kana, maar dat staat niet in de andere evangeliën. Zo zijn er heel veel verschillen of zelfs tegenstrijdigheden, zo vindt men. Wat over het hoofd gezien wordt is het eigen karakter van elk evangelie: elk evangelie heeft zijn eigen invalshoeken en accenten; samen bieden zij een rijke kijk op het veelzijdige leven van Jezus. Voor toerusting, catechese of een leerhuis gebruik ik vaak mijn notities over het eigen karakter van elk evangelie; misschien heeft u er ook wat aan, al is het een beetje telegramstijl…

MARCUS

Wie is Marcus? Zijn moeder stelde haar huis tot beschikking van de gemeente [Hand. 12:12] en hij was de jongeling die bijna gegrepen werd [Mk. 14:51]; oom Barnabas neemt hem mee op zendingsreis en krijgt daar mot over met Paulus. Later helpt hij Petrus en over Petrus is zijn evangelie heel specifiek; Papias noemt hem in het jaar 125 de tolk van Petrus. Paulus is hem later weer gaan waarderen [Kol.4:10]. Markus is een cholericus: primair, gevoelig, energiek, snel wisselende stemming. Hij schrijft in korte zinnen: en en en, zie 1:29-30 [in oude vertaling!] en is kort en bondig; zijn evangelie is het kortste van de vier. Zijn beschrijving is gericht op aktie; hij geeft weinig prediking en redevoeringen, geeft ook maar 8 gelijkenissen [Lk: 29; Mat. 20]. De redevoeringen gaan praktisch allemaal over conflict met de joden, want de cholericus is vóór of tegen iets. Zo geeft hij 5 conflicten met Galilese joden [2:1 – 3:6] en 5 met die van Jeruzalem [3:22-30; 7:1-23; 11:27 – 12:37.] Markus gebruikt levendige taal en geeft bovendien veel pittoreske details [de andere evangelisten zelden]: Jezus lag tegen het kussen te slapen [4:38], een verlamde werd door 4 man gedragen [2:3], de jongen met het laken, 14:51-2; zie ook 9:3: witter zoals geen voller [wolwasser] ze op aarde kan maken… Bij Markus sterft Jezus met een luide kreet, want hij heeft veel aandacht voor gevoelsuitingen: 1:41 barmhartigheid bewogen; strenge vermaning, 1:43; zeer bedroefd, 3:5; zuchtte, 7:34; diep zuchtend, 8:12; zeer kwalijk, 10:14; siddering en ontzetting, 16:8; verbaasd en bevreesd, 10:32. Let ook op verkleinwoorden: dochtertje, 7:25; jongetje, 9:24.

Markus kent geen kerstevangelie; hij valt met de deur in huis en hij heeft haast: Al in het eerste hoofdstuk valt voortdurend het woord ‘terstond’. Nog maar net heeft Jezus zijn discipelen geroepen of terstond gaan ze naar de synagoge. Dat woordje terstond komt in hfd. 1 liefst 12x voor. Alles gaat in vliegende vaart dus. De proclamatie zie je in 1: 15: De tijd is vervuld, het koninkrijk Gods is nabij gekomen.

Structuur van het evangelie naar Marcus

Marcus 8: 27 –38 is een scharnier in het evangelie. In dit gedeelte wordt een andere richting ingeslagen.

Inleiding Hoofdstuk 1: 1-15 Het evangelie in een notedop

  1. Hoofdstuk 1: 16 – 8: 26 Jezus’ werk als Messias, doch mensen zijn blind …
  2. Hoofdstuk 8:27 – 10:45 De belijdenis van Petrus; 10:45: de kern van alles*

III. Hoofdstuk 10:46 – 16:20 Jezus’ lijden, dood, opstanding

* Want ook de Zoon des Mensen is niet gekomen om zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen.

Deel 2 wordt voorafgegaan én gevolgd door de genezing van een blinde:

8: 22-26 Genezing van een blinde

8:27 – 10: 45 Deel II van het evangelie

10:46-52 Genezing van een blinde

Kontrast tussen de verhalen over beide blinden in hoofdstuk 8 en 10:

De blinde in hoofdstuk 8 naamloos De blinde in hoofdstuk 10 heet Bartimeüs

De discipelen brengen hem Bartimeüs komt zelf

De blinde wordt naar huis gestuurd Bartimeüs volgt Jezus van nu af

Het wonder wordt benadrukt Het gesprek is belangrijk

Over de Messias moet je zwijgen Bartimeüs belijdt Jezus als Heer

In beide verhalen treft ons het kontrast tussen de blinde en de discipelen:

In het eerste verhaal ziet de blinde, Jezus noemt de discipelen daarentegen blind [8: 18];

In het tweede verhaal vraagt Bartimeüs ziende te mogen worden, de discipelen hebben slechts belang bij het zitten aan de rechterhand [10: 37].

Marcus 7: 24-30 en de relatie met 6: 30-44 en 8: 1-10

Het verhaal over de Syrofenicische vrouw wordt vooraf gegaan door een wonderbaarlijke spijziging in Marcus 6 en gevolgd door zo’n spijziging. Vroeger zei men: Doublure, foutje… Maar: De eerste wonderbare spijziging was gesitueerd in het joodse land. Er aten 5000 mensen, twaalf manden bleven over. Eén voor elke joodse stam. De 5 van 5000 staat voor de vijf boeken van Mozes, de Thora. Kortom, joodse accenten!

In Marcus 8 bevindt Jezus zich in een heidense omgeving. Nu blijven geen 12 maar 7 manden over en er zijn 4000 mensen die verzadigd worden. Vier is het getal van de vier windstreken, 7 is het getal van de volheid. Jezus herhaalt in heidens land hetzelfde wonder om te onderstrepen dat de heidenen, anderen, niet-Joden er ook bij horen. Dat was Hem duidelijk geworden in de ontmoeting met die vrouw uit Tyrus. Want die vrouw heeft Jezus bekeerd, Hem de ogen geopend voor het feit dat het God om de volken gaat, dat ieder mens meetelt en niemand uitgesloten wordt.

MATTHEÜS

Mattheüs, een discipel, was een tollenaar [9:9-13]; elders heet hij Levi [Mark.2:13-14]. Kenmerkend voor hem zijn een aantal dingen:

  1. Hij is jood; hij vermijdt, als jood, de Godsnaam; dus hij spreekt steeds over koninkrijk der hemelen ipv koninkrijk Gods. Hij verwijst voordurend en zeer vaak naar het Oude Testament om te laten zien dat de profetieën uitkomen [1:23; 2:6; 2:18; 3:3; 4:6; 4:15 enz.].
  2. Hij is flegmaticus: Zakelijk, nuchter, ordenend, secundair, laat zich niet meeslepen. Hij gebruikt 88x het woord tote [toen, dan]; Markus 6x, Lucas 14x, Joh. 10x. Ook het woord ‘dus’ komt bij hem 56x voor, veel meer dan bij de andere evangelisten. Van zijn evangelie is 2/3 redevoering, 1/3 verhaal. Daarbij zet Mattheüs graag stof bij elkaar: 5-7 de bergrede, 8-9 wonderen, 10 uitzendingsrede, 18 gemeenterede, 23-25 rede tegen de Farizeeën en over de laatste dingen. Vanaf hfd. 11 begint een wending, ingezet met de vraag van Johannes de Doper: Zijt Gij het? De reaktie van de mensen valt niet mee; cf. 11:21: Betsaida en Chorazin.
  3. Mattheüs brengt Jezus ter sprake als Koning der Joden en Heer van de volken. Dat begint al in het geslachtsregister waarin de volken voorkomen: Rachab, Ruth, Thamar. Drie heidense vrouwen vertegenwoordigen de volken en symboliseren dat Jezus geboren is uit de schoot der volken. Er zijn 3x 14 geslachten: vóór, rond en na David steeds 14. De getalswaarde van het hebreeuwse woord ‘David’ is 14! Dus op alle mogelijke manieren wordt onderstreept dat Jezus de zoon van David is.

Het gaat Mattheüs bovendien om de genesis, de wording van Jezus in het midden van Israël. En daarom mag Jozef Maria niet heimelijk verlaten en mag Herodes Jezus niet heimelijk ombrengen. Ook: De wijzen uit het Oosten representeren de volken en brengen Jezus hulde, iets wat de vromen in Jeruzalem niet doen hoewel zij wel de teksten kunnen citeren! Jezus vlucht naar Egypte en ‘speelt’ zo de geschiedenis van Israël na; ook dat verhaal vind je alleen in dit evangelie, net als de wijzen en de kindermoord. Ook bij hem: Gaat dan heen naar alle volken en maakt hen tot mijn discipelen, het zgn. zendingsbevel in Mat. 28.

  1. Bij de doop van Jezus gaat het over gerechtigheid. Dat woord is een sleutelwoord. Het evangelie van Mattheüs vertelt eerst over de genesis, de wording van Jezus in hfd. 1 en 2. Hfd. 26-28 handelt over zijn lijden en opstanding. Hfd. 3-25 gaat over zijn werk als bode van God, als Gods Messias. En in al die hoofdstukken gaat het om zaken recht zetten. Hier, bij de doop, klinkt dat woord gerechtigheid voor de eerste keer. En bij de gelijkenis van het laatste oordeel in Mat. 25: 31-46 klinkt het voor het laatst. Daar wordt duidelijk waarop het dan aankomt als het gaat om gerechtigheid: De hongerige te eten geven, de dorstige te drinken, de gevangene bezoeken, de naakte kleren geven, de zieke bijstaan, de vreemdeling gastvrij behandelen. Daarom begint hfd. 26 ook met de woorden: ‘En het geschiedde, toen Jezus al deze woorden geëindigd had…’ Het woord gerechtigheid klinkt ook prominent in de bergrede [5: 6,10,20; 6: 1,33] en in 21:32. Jezus’ volgelingen zijn dikaioi, zij dienen de wil van de Vader te doen. Mat. zegt dan ook: Zoek eerst het koninkrijk en zijn gerechtigheid [cf. Mat.6:33 en Luc. 12:31].
  2. Als oud-tollenaar houd hij oog voor geld. Hij vertelt als enige het verhaal van het einde van Judas [27:3-10], met alle financiële details: Judas die 30 zilverlingen de tempel in smijdt en wat en waarom de Farizeeën iets met dat geld doen. Hij alleen vertelt van de vis met het geldstuk in de bek [17:24-27].

LUCAS

Vanaf het jaar 200 [Canon Muratori] is Lucas, de metgezel van Paulus, als auteur aangewezen [hij was o.a. te Troas, zie de ‘wij-stukken’ in Hand. 16:9-18; 20: 4-16; 21:1-18 en 27:1-28]. Lucas wordt ook gezien als de auteur van Handelingen. Zie verder over hem Kol.4:14; Filemon 24, 2 Tim.4:11. Volgens Kol. 4:14 was hij geneesheer. Volgens Eusebius kwam hij uit Antiochië. Gezien zijn goede grieks was hij een griek, in ieder geval was hij heiden, zie Kol. 4:11. Hij heeft de rijkste woordenschat van het hele NT [hij gebruikt 2697 woorden, Johannes maar 1396 en een auteur als Xenophon 2431]. Hij wil historicus zijn [Augustus en Quirinius in 2:1; Tiberius en Pilatus in 3:1] en schrijft voor Theofilus, die net zo aangesproken wordt als Festus in Handelingen en dus ook zoiets als stadhouder is, vermoedelijk een godvrezende zoals Cornelius, want Theofilus heeft goede kennis van het Jodendom [dat blijkt omdat tal van joodse zaken door Lucas niet uitgelegd worden!] Lucas heeft veel aandacht voor de mens, de persoon, de naam, het geduld van Jezus met mensen, het gemoedsleven van mensen. Bij hem ook is het meeste te vinden over de kinderjaren van Jezus en zijn ontwikkeling. Eveneens maakt hij motieven zichtbaar [‘met het oog daarop… omdat zij meenden… 18:1, 9; 19:11 enz], en breidt daartoe soms Markus uit [toen de vrouw zag dat zij niet onopgemerkt bleef 8:47]. Lucas is ook specialist van de ontmoeting, meer dan 20 [Gabriël en Zacharias, – en Maria, Maria en Elisabeth, Simeon en Anna, de 12-jarige Jezus, prediking in de synagoge van Nazareth, rijke man en arme Lazarus, verloren zoon enz.] Lucas heeft aandacht voor psychologie; alleen bij hem lees je als Petrus Jezus verloochent: En de Heer keerde zich om en zag Petrus aan. En Petrus herinnerde zich…[Luc.22:61]. Ook de verhalen van de barmhartige samaritaan en de verloren zoon blinken uit in dramatische spanning; zo ook de Emmaüsgangers. Lucas is tevens de man die veel aandacht heeft voor het gebed. Zijn evangelie begint en eindigt ermee [Zacharias bad…; discipelen waren in de tempel om te bidden; hij vermeld steeds de gebeden van Jezus, bijv. 9:18, 28, 29; 11:1 enz.]

Structuur

Lucas is bekend geworden om zijn reisverhaal. Het grootste deel van zijn evangelie is het reisverhaal naar Jeruzalem, waar hij de zaken aan ophangt. De indeling is als volgt:

Proloog [1 en 2, gevolgd door 3:1 – 4:13]

Deel 1: Het werk in Galilea [ 4:14 – 9:50]

Deel 2: De reis naar Jeruzalem [ 9: 51 – 19:27]

Deel 3: Jezus in Jeruzalem [19:28 – 23:49]

Epiloog [graflegging, opstanding en hemelvaart, 23:50 – 24:53]

Opvallend: Na de opstanding gaat Jezus in zijn evangelie niet meer naar Galilea!

Lucas 1 en 2 hangen duidelijk samen en kenmerken zich door afwijkende taal en stijl: Heel veel semitische woorden, wendingen enz., zoals bijv. ‘en het geschiedde’. Maar ook verderop, in de stukken die Lucas alleen heeft, komen wij dit verschijnsel tegen. Heeft Lucas voor deze gedeelten een bron gebruikt afkomstig van joodse christenen uit Jeruzalem? En kan dat ook het accent op de armen verklaren, want de gemeente in Jeruzalem was arm!

Eigen stof en verschillen met de andere evangelisten

In het begin van zijn evangelie alleen bij hem: De stal, de kribbe, de engelen, de herders. Hij heeft, als arts, een zwak voor de zieken en de buitenbeentjes zoals de herders. Hij heeft een open oog voor de positie van de armen. Steeds weer en in allerlei toonaarden neemt hij het voor hen op. In de opening van zijn evangelie worden tirannen al van de troon gehaald en vernederden opgericht. En de preek van Johannes de Doper klinkt bij Lucas zeer duidelijk: Wie twee hemden heeft, moet delen met wie er geen heeft. Het verhaal van de arme bedelaar Lazarus en de rijke man lees je alleen bij Lucas. En in zijn evangelie, als Jezus in de synagoge preekt in Nazareth, is het tijd geworden het jubeljaar te herstellen waardoor alle verhoudingen weer recht gezet kunnen worden, land kan worden teruggegeven, de arme weer mee mag doen in het volle leven. Meer dan anderen heeft Lucas er oog voor dat armen veelal arm gemaakt en arm gehouden worden. Het is natuurlijk niet toevallig dat alleen Lucas zowel het verhaal vertelt van de rijke man en de arme Lazarus als ook het verhaal van de Farizeeër en de tollenaar. Want die twee verhalen zijn in feite gelijk. De in zichzelf geestelijk rijke Farizeeër zag de tollenaar niet, en de materieel rijke zag Lazarus niet. Beiden gingen op in zichzelf. En misten zo de ander, en God, want die heeft zich immers om de ander bekommerd!

Alleen Lucas vertelt over de barmhartige Samaritaan [10:25vv], Maria en Martha [10:38vv], de gelijkenis van de rijke dwaas [12:13vv], de moord van Pilatus op 18 Galileeërs en de onvruchtbare vijgeboom[13:1-9], twee genezingen op sabbat [13:10vv en 14: 1vv.]. De gelijkenissen over de verloren penning en – zoon vinden we alleen bij hem [15:8-32], evenzo de onrechtvaardige rentmeester [16:1-9] en de rijke man en de arme Lazarus [16;19-31]. Ook de genezing van de 10 melaatsen [17:11vv], de gelijkenis van de onrechtvaardige rechter [18:1-8] en de bekering van Zacheüs [19:1vv]. Jezus’ prediking in de synagoge te Nazareth krijgt een groot accent. Daarin vinden we ook de proclamatie [4:19]: De Geest des Heren is op Mij om aan armen het evangelie te brengen, gevangenen loslating te verkondigen, aan blinden het gezicht te geven, om verbrokenen heen te zenden in vrijheid, om te verkondigen het aangename jaar des Heren.

Structuren in de structuur

Van Jeruzalem naar Rome

Lucas is onderweg en zijn theologie is die van onderweg-zijn. De gemeente is onderweg, altijd. Vandaar een reisverhaal in het evangelie, vandaar het accent op de tocht van het evangelie van Jeruzalem naar Rome, als je ook het boek Handelingen erbij neemt. Het gaat van het centrum van de joodse wereld naar het centrum van de heidense wereld.

Evangelie van de contrasten

Voortdurend zijn er paren en contrasten: Simeon – Anna; Zacharias – Elisabeth; Keizer Augustus – Jozef en Maria; rijken – armen; rijke man -arme Lazarus; de genodigden – de mensen uit heggen en steggen; priester, leviet en Samaritaan – halfdode langs de weg; wetgeleerden – zondaars; jongste zoon – oudste zoon; Farizeeër – tollenaar; onrechtvaardige rechter – protesterende weduwe; Martha – Maria; groene hout – dorre hout. Let ook op deze parallellen:

Johannes Jezus

Vervuld door de Geest, 1:15 verwekt door de Geest, 1:35

Bij zijn geboorte zingen de buren 2: 58 de engelen zingen

Hij zal groot zijn voor de Heer 1:15 Jezus zal groot zijn 1:32, Zoon Allerhoogste

Geboorteplaats onbekend Geboren in Bethlehem

In de woestijn In de woestijn

Aankondiging in de tempel discussie in de tempel

Die tempel neemt een bijzondere plaats in. Na alle tweeluiken [geboorteaankondiging Johannes en Jezus; ontmoeting Elisabeth en Maria; Johannes wordt geboren en Jezus; Simeon en Anna] staat het verhaal van de 12-jarige Jezus in de tempel op zich om het extra te accentueren! Lucas begon in de tempel en eindigt er, in zijn voorgeschiedenis. En eindigt er tenslotte: Zij waren voortdurend in de tempel, God lovende, 24:53! Daartussenin is de hele reis van Jezus naar Jeruzalem eigenlijk een reis naar de tempel, want daar leerde Hij alle dagen [19:47; 21:37; 22:53 enz.] En alleen Lucas zegt:Het gaat niet aan dat een profeet buiten Jeruzalem sterft [13:33].

Structuur van Lucas 15

Het gaat om héél hfd. 15! Dat wordt ingeleid door het verloren schaap en de verloren penning. De climax is de verloren zoon. De herder zoekst zijn schaap, de vrouw haar geld. Waarom zoekt die vader niet? Omdat een kind geen bezit is!!, geen schaap of penning. Een kind moet zelf kiezen of hij/zij bij de vader wil horen of blijven! En dat moet je soms leren door met je neus in de drek te liggen. Dan weet je waar leven is en waar niet.

Wie is de verloren zoon? De oudste? De jongste? Noem dit de gelijkenis van de vader, want alle accent valt op die vader = God. Jezus ontfermt zich over tollenaars en zondaars [vers 1]; die zijn de jongste zoon; dat wordt Hem kwalijk genomen door de Farizeeën de Schriftgeleerden, die morren als de oudste zoon, zie weer 15:1. De oudste zoon is als Jona: God is barmhartig en ontfermt zich over Ninevé; dat neemt Jona God kwalijk! En hier is de oudste zoon verongelijkt: Nooit een geitebokje voor mij…

Voortdurend klinkt een accent op verblijden en vrolijk zijn, zie vers 6, 9, 23, 24, 30 [slecht vertaald met 1x feestmaal en 2x feest vieren] en tenslotte 32.

JOHANNES

Van het materiaal dat Johannes in zijn evangelie samenbracht, komt maar liefst 92% niet in de synoptische evangeliën voor! Sommige geleerden zeggen: Er is geen boek in de bijbel noch daarbuiten dat werkelijk lijkt op dit evangelie. Johannes is uniek en uitzonderlijk en hanteert in zijn evangelie een apart principe: Hij is er op gespitst om de grootheid en de koninklijkheid van Jezus van meet af aan te onderstrepen. Daarom begint hij met: ‘In den beginne was het Woord, en Woord was bij God en het Woord was God.’ Dan komt de bruiloft te Kana, begin hfd. 2. Dat verhaal vind je nergens anders! Op die bruiloft wordt Jezus getekend als de Messias van Israël. Prompt wordt dit verhaal gevolgd door de tempelreiniging. Opdat voorgoed en voor ieder duidelijk is wie deze Jezus eigenlijk is: Zoon van God, Heer van de tempel, die nu al van zichzelf zegt dat Hij wordt opgewekt uit de dood. Overal in Johannes’ evangelie krijgt Jezus koninklijke eer. Daarom zwaaien de mensen alleen in Johannes’ evangelie met palmtakken, symbool voor de koning [in de andere evangeliën met gewone takken]. Is het u wel eens opgevallen dat in Johannes niets verteld wordt over een strijd die Jezus gehad zou hebben in Gethsemané? Geen woord. We lezen hoogstens in Joh. 18: 1 dat Jezus naar de tuin gaat, maar er is geen sprake van strijd, laat staan van het zweten van bloed zoals in de andere evangeliën. In Joh. 18, in die tuin, beheerst Jezus de situatie geheel; daarom vallen de soldaten die Jezus later arresteren voor Hem neer alsof ze dood ter aarde vallen[18:6]. Daarom mist in het Johannes’ evangelie ook het verhaal van de verheerlijking op de berg. Dat komt omdat bij Johannes de heerlijkheid van Jezus voortdurend aanwezig is.

De vermoedelijke schrijver was, met zijn broer Jacobus, afkomstig uit een vissersfamilie. De vader heette Zebedeüs, de moeder Salomé; men noemde de twee broers zonen des donders [Marcus 3:17], vanwege hun heftige naturen. Johannes noemt zichzelf ; de leerling die Jezus liefhad’ [Joh. 13:23]. Johannes was de discipel die getuigt van wat gebeurd is [21:24]; in het boek Handelingen is hij de leider, met Petrus [Hand. 3:1; 4:1-31; 8:14 enz.] Johannes tekent Jezus als de Zoon van God. Johannes vertelt geen enkele gelijkenis; bij hem niet meer: Het koninkrijk der hemelen is gelijk aan, maar: Ik ben [de goede herder, de deur der schapen, levend water enz.] Van alle NT-schrijvers heeft hij de armste woordenschat; dat kan wijzen op een primitief gedachtenleven [wat niemand zal durven beweren] óf op een grote concentratie rond hoofdbegrippen, wat dan ook het geval is. Die begrippen zijn bijvoorbeeld waarheid, eeuwig leven, licht en duisternis, geloof, vertrouwen, logos, glorie en overwinning, Zoon van mensen én van God enz. Johannes is diepzinnig en soms duister. Johannes gebruikt veel synoniemen, bijv. voor zien: gewoon zien, materieel zien [de blindgeborene, die genezen is], schouwen, aanschouwen, beschouwen enz. Of, als Jezus Petrus vraagt: Heb je me waarlijk lief dan worden door Jezus de woorden agapan [liefhebben] en filein [houden van] afwisselend gebruikt; Petrus houdt het bij filein…

Dat Johannes hard kon zijn, zei z’n bijnaam al; hij wilde zelfs vuur uit de hemel over een samaritaans dorp uitroepen… Niemand schreef bitser over Judas dan hij [duivel, 6:70v.] Als Johannes Zacharia aanhaalt bij de intocht van Jezus op de ezel laat hij het woord zachtmoedig weg, vgl. Joh. 12:15 en Mat. 21:5]. Johannes spreekt met nadruk: Voorwaar, voorwaar – komt 26x voor. Hij wil overtuigen, en daarom komt het woordje ‘dus, dan’ 195x voor. Voor Johannes is de eschatologie niet straks, maar nu: De ure komt en is nu [5:25]. Hij houdt van de paradox en de ironie. En: De schrijver is ooggetuige: Hij was er zelf bij, 1:14; 19:35]. Het doel van het evangelie is duidelijk: Opdat gij gelooft [20:30-31].

Ook het woord teken komt heel vaak voor; de bruiloft te Kana is begin van zijn tekenen; 2e teken: 4:54; en Hij deed nog vele andere tekenen,

20:30; zie verder bijv. 3:2; 6:2,14,26,30; 7:31; 9:16; 10:41; 11:47; 12:18.

Verschillen met de synoptische evangeliën

  • In de andere evangeliën blijft Jezus eerst in Galilea, trekt dan naar Jeruzalem voor het Paasfeest en sterft dan. Dan zou Hij één week in Jeruzalem zijn, en een jaar gewerkt hebben. In Joh. is sprake van twee Paasfeesten [2:13; 11:55] of zelfs drie [5:1 wordt ook vaak als Paasfeest uitgelegd]. In Jeruzalem viert Jezus ook het Loofhutten en Chanoeka-feest [7:10; 10:22], dus dat bij elkaar maakt dat Hij én zeker een halfjaar in Jeruzalem was én minstens een paar jaar gewerkt heeft.
  • In plaats van de spreuk in de andere evangeliën vindt men de redevoering [over brood, water enz., zie hfd. 4, 5, 6, 9, 11, 17]
  • In plaats van gelijkenissen vindt men vergelijkingen [Ik ben…]
  • Alleen in Joh. vindt men de bruiloft te Kana, Bethesda, genezing van een blindgeborene, opwekking van Lazarus, gesprekken met Nicodemus en de Samaritaanse vrouw, de passage over het breken van Jezus’ beenderen, het optreden van Nicodemus bij de begrafenis, de verschijning van Jezus aan Thomas en ook die aan het meer van Tiberias. De instelling van het avondmaal komt niet voor, het gebed in Gethsemane ook niet, noch het verhoor door het Sanhedrin [wel door Annas en Kajafas].

Toevoegingen

Er zijn twee belangrijke toevoegingen, die in de oude vertaling tussen haken staan, in 5: 3b-4 en Joh. 8:2-11, het verhaal van de overspelige vrouw, waarvan Papias al zei dat het in het evangelie van de Hebreeën staat. Als in de vertaling van 1951 [de NBV, de nieuwe vertaling, laat het weg!!] iets tussen [ ] staat, betekent dat dat in belangrijke griekse handschriften, die aan de basis van de vertaling liggen, deze stukken ontbreken.

Aanvullingen en Uitleg

Joh. onderbreekt zijn verhaal vaak voor uitleg, aanvulling enz.: de tempel is zijn lichaam, 2:21; Jezus doopte zelf niet [4:2], de Geest was er nog niet, 7:39; niemand greep Hem want zijn uur was nog niet gekomen, 8:20; opdat vervuld zou worden, 18:9; Jezus kende de joden, 2:23-25; Johannes was nog niet in de gevangenis gezet, 3:24; Samaritanen gaan niet met joden om, 4:9; Judas was een dief, 12:6.

Misverstanden en onbegrip

Karakteristiek voor dit evangelie is dat men het voortdurend niet begrijpt; men kijkt tegen de buitenkant van de dingen aan! In 2:20 snapt men niet dat Jezus over zijn lichaam spreekt; in 3:3 weet Nicodemus niet wat wedergeboren betekent; in 4:4 weet de Samaritaanse vrouw niet wat levend water is; in 8:22 denken de joden dat Jezus zelfmoord wil plegen; in 11:13 denkt men dat Lazarus slaapt; in 12:29 spreekt God maar men denkt aan een donderslag.

Johannes 14-17: Het Hogepriesterlijk gebed

We vinden de afscheidswoorden van Jezus in Joh. 14 t/m 17. Vlak daarvoor, in Joh. 13, is verteld dat Judas was weggegaan om verraad te gaan plegen. Vanaf hoofdstuk 18 wordt verteld hoe Hij gearresteerd wordt, gekruisigd en weer opstaat.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *