Islamitische uitnodiging tot dialoog afgewezen

Kritiek op de Protestantse reactie op ‘Een gemeenschappelijk woord’*

Inleiding

Het islamitische document A Common Word werd in 2007 gepubliceerd. Het is de wereldwijde verklaring aan de paus en andere christelijke leiders van 138 moslimgeleerden uit alle islamitische tradities over de belangrijkste overeenkomsten tussen islam en christendom, waarin ze onder meer verklaren dat de geboden om God en de naaste lief te hebben, zowel te vinden zijn in de Bijbel als in de Koran. Het is de eerste keer dat de islamitische oikoumenè zich richt tot de christelijke. Een historische gebeurtenis van formaat, die in de media veel te weinig aandacht kreeg! Vier kerkleden uit de Protestantse Kerk hebben zomer 2009 een brief aan de synode van de Protestantse Kerk geschreven over de dialoog met de islam op initiatief van dr. Hebe Kohlbrugge en drie andere ondertekenaars. De brief is mede ondertekend door vooraanstaande predikanten en theologen. De brief is allereerst een reactie op dat document A Common Word (Een Gemeenschappelijk Woord) dat door de Wereldraad van Kerken aan alle lidkerken is toegestuurd. Men schreef de brief echter ook omdat de synode in het voorjaar van 2010 een nota zal bespreken over de dialoog met moslims. In de brief geeft men drie kritische punten aan.

  1. De godsdienstvrijheid en onderdrukking van christenen en andersdenkenden in islamitische landen en het recht om van godsdienst te mogen veranderen. Men zegt o.a.: ‘Zolang in de landen van tal van ondertekenaars van Een Gemeenschappelijk Woord mensen worden vervolgd omdat ze publiekelijk getuigen van hun christelijk geloof of omdat ze vanuit de islam tot de christelijke kerk toetreden, is een oproep aan ons adres tot wederzijdse welwillendheid niet volledig geloofwaardig.’

Mijn commentaar hierop is tweeërlei. Allereerst is dit een zaak die absoluut veel aandacht verdient, want hier liggen fundamentele punten. Moslims zouden allerwegen mensenrechten moeten garanderen, maar vanaf het allereerste begin hebben islamitische landen op bepaalde punten voorbehoud gemaakt bij de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, destijds aangenomen door de Verenigde Naties. Hoe daarmee om te gaan? Wie de dialoog aangaat gaat niet bij voorbaat aangeven dat de ander niet deugt. En dat is wat hier eigenlijk gebeurt. Een volgende vraag is of wij deugen! Ik zal nooit vergeten dat ik ooit in Pakistan een hooggeplaatst persoon aansprak op juist deze zaken. Hij keek me aan, trok een lade open, pakte een knipsel uit de Telegraaf waar uitvoerig verslag gedaan werd van een moskee die in Rotterdam in brand gestoken was. De functionaris zei: Ds. Kraan, als u nu eerst eens naar huis gaat om orde op zaken te stellen?! In Woord en Dienst van 28 augustus 2009 was te lezen dat de synode een open brief schreef naar christenen en moslims in Pakistan over gewelddadigheden tegen christenen. In die brief werden ook Pakistaanse moslims bedankt die christenen in hun eigen huis hadden opgenomen en in veiligheid hadden gebracht! Zulke tonen missen in deze brief geheel.

  1. De procedurele vraag is, waar in het gesprek tussen christenen en moslims het jodendom in beeld komt. Alleen al om godsdiensthistorische redenen zou het merkwaardig zijn als christenen en moslims zouden zoeken naar een common ground zonder terug te grijpen op de Israëlitische traditie. Aldus de tweede kritische notie in de brief.

Ja, wie zou dat belang niet onderschrijven? Maar de islamitische brief was aan christenen gericht! En dan frustreer je de dialoog behoorlijk door weer zo’n voorwaarde vooraf te stellen. Bovendien hebben moslims en christenen meer dan genoeg punten om over door te praten waar de joodse partner best even buiten kan blijven. Denk alleen maar aan de persoon en het werk van Jezus van Nazareth.

  1. Allah en God

Het gaat ons om de vraag, of we onder God/Allah als de Éne wel hetzelfde verstaan. Zo begint het laatste deel van de brief, waar eigenlijk het zwaartepunt ligt, ook gezien de lengte van dat stuk. Want dan wordt breed ingegaan op de status van de Koran, de God van Israël en de weg van Christus, de ene God en de kwetsbare mens enz. De ruimte ontbreekt mij hier om breed te ontvouwen wat hier gezegd zou kunnen worden. Eerder heb ik dat uitgebreid gedaan, zie mijn boek Bijbel en andersgelovigen, Kampen 1987. Maar het is een spelletje om God en Allah tegen elkaar uit te spelen. Laat men eerder belijden dat moslims God zoeken en heel veel van Hem begrepen hebben. Van de Apostolische Geloofsbelijdenis kunnen moslims het volgende beamen: Wij geloven in één God, de Almachtige, Schepper van hemel en aarde, en in Jezus Christus, die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria,opgevaren ten hemel, vanwaar Hij komen zal.Ik geloof in de Heilige Geest, in vergeving van zonden,wederopstanding van het vlees en een eeuwig leven. Mag je dat bagatelliseren? Kun je dan niet beginnen met wat gemeenschappelijk is? Wij bedoelen dezelfde God, maar hebben van die God wel een ander beeld. So what? Joden hebben toch ook een heel ander beeld van Jezus dan wij? Met hen spelen we toch ook niet het flauwe spelletje dat we het daarom niet over dezelfde God zouden kunnen hebben? De hele bijbel door is God altijd op zoek naar mensen en onderweg met alle volken. Veel mensen die wij afschrijven, waaronder boeven en heidenen, hebben veel van God begrepen. Voorbeelden te over: In Noach sloot God een verbond met alle mensen, in en met de roeping van Abram worden alle mensen gezegend. Buitenbeentjes als Melchisedek en Jethro zijn van grote betekenis voor Abram en Mozes. De wijsheid van Spreuken heeft veelal buitenbijbelse bronnen, de Moabitische Ruth wordt stammoeder van Israël, de Syrische Naäman wordt genezen in Israël. Bijzondere aandacht verdient Ps. 87; daar worden de vijanden van Israël [Filistijn, Tyriër, Moor] aangezien alsof ze in Jeruzalem geboren zijn en dus tot Gods verbondsvolk behoren. Er blijkt geen kloof te zijn tussen de volken, integendeel. Dus gaat Jona ook op pad naar Ninevé, niet omdat hij een universele visie had, want die had hij niet. Hij mag aan het voorbeeld van Ninevé leren hoe het wel moet. En wie God is wordt heel duidelijk: genadig, barmhartig, sparen…

Ook in het Nieuwe Testament spelen de volken van meetaf een rol. Dat begint al bij het geslachtsregister van Jezus. Hij heeft naast joods bloed ook het bloed der volken. Hij komt niet alleen uit Abrahams schoot, maar ook uit die van Rachab, de Kanaänitische, uit die van Ruth en uit die van Tamar. De vromen in Jeruzalem heten Hem geen welkom, maar de wijzen uit het Oosten eren Hem namens de volken en redden zijn leven. Dan wijkt Jezus uit naar Egypte, zoals ooit het volk Israël daar van de hongerdood gered werd. Steeds weer komen andersgelovigen in ieder geval ook op een positieve wijze ter sprake: In een gelijkenis wordt een Samaritaan als barmhartig voorgesteld, in tegenstelling tot een priester en een wetgeleerde. De Samaritaanse vrouw is een ander voorbeeld dat in het evangelie het vijand-denken doorbroken wordt: Zij hoort er volop bij. Als tien melaatsen genezen worden, vergeten negen Joden te bedanken, maar de tiende die het wel doet is een Samaritaan. Van de hoofdman te Kapernaüm wordt gezegd dat niemand zo’n groot geloof had als hij, en hij was een romein. Later zal een romeinse hoofdman bij het kruis belijden dat deze Jezus waarlijk Gods zoon was. De Syro-Phoenicische vrouw overtroeft Jezus zelfs door Hem te overtuigen dat kruimeltjes ook brood zijn en haar kind ook genezing verdient. Steeds weer wordt benadrukt : aan de vruchten kent men de boom. Dit heeft verregaande consequenties. De dingen kunnen wel eens anders liggen dan je denkt. Wij, die God denken te dienen, zouden wel eens buiten kunnen staan, en de mensen of de andersdenkenden die wij buiten sluiten zouden wel eens in de feestzaal kunnen zijn. We horen dat o.a. in Mat. 8:10 als Jezus de knecht van de hoofdman te Kapernaüm genezen heeft: Toen Jezus dit hoorde, verwonderde Hij Zich en zeide tot hen, die Hem volgden: Voorwaar, zeg Ik u, bij niemand in Israel heb Ik een zo groot geloof gevonden!11 Ik zeg u, dat er velen zullen komen van oost en west en zullen aanliggen met Abraham en Isaak en Jakob in het Koninkrijk der hemelen;12 maar de kinderen van het Koninkrijk zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; daar zal het geween zijn en het tandengeknars. Deze krasse uitspraak wordt bevestigd in Mat. 25 als het laatste oordeel beschreven wordt. Daar blijkt niet kerkgang of zelfs het geloof doorslaggevend, maar humaniteit. En het zou wel eens kunnen zijn dat andersgelovigen op dat punt beter scoren dan wij, die Jezus [denken te] kennen. Doorslaggevend is daar of je de gevangene bezocht, de naakte kleedde, de hongerige te eten gaf, de dorstige te drinken, de zieke bezocht en de vreemdeling huisvestte. Ook het boek Handelingen is illustratief. In Hand. 10 wordt beschreven hoe de scheiding tussen reine en onreine mensen wegvalt, tussen Petrus en de romein Cornelius. Cornelius blijkt iemand te zijn zoals bedoeld in ps. 87: Hij hoort erbij, en hoorde er allang bij, door zijn gebeden, aalmoezen en goede werken. God heeft hem al lang geaccepteerd alsof hij een geboren Jood is; alleen Petrus had dat nog niet in de gaten.

Kortom, de briefschrijvers maken het zichzelf iets te gemakkelijk.

* Het stuk ‘Briefschrijvers PKN dialoog islam maken het zichzelf te gemakkelijk’ verscheen op  ww.bruggenbouwers.com op 5 september 2009.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *