Kuyper, Bavinck en andere theologen over de Islam

Dit boek* voorziet in een behoefte. Meer dan voorheen wordt duidelijk wat Kuyper en Bavinck over de islam gezegd hebben. Onbekende uitspraken worden naar voren gehaald, die ook voor de dialoog van vandaag nog vruchtbaar zijn. Bavinck bijvoorbeeld, in zijn briefwisseling met Snouck Hurgronje, zegt – als hij een boek van Snouck over moslims in Mekka bespreekt- : ‘Onder de beschrijving van die eerst zo vreemd lijkende zeden en gewoonten laat gij menschen voor ons optreden, van gelijke bewegingen als wij. ‘ [p.114] In de briefwisseling tussen Bavinck en Snouck komt later ook aan de orde dat, net als vandaag door Mohammed B. en anderen, de term ‘heilige oorlog’ zo misbruikt wordt: Toen Turkije in de Eerste Wereldoorlog de kant van Duitsland koos, riep Duitsland de sultan van Turkije [toen nog min of meer hoofd van de islamitische wereld] op om ‘de heilige oorlog’ uit te roepen, zodat moslims van India tot Algerije zich zouden keren tegen de geallieerden… [p. 125]. Bavinck handhaaft dat Gods Geest ook in andere godsdiensten kan werken, in tegenstelling tot de oudere gereformeerde theologie; die zei hoogstens dat de werking van Gods Geest in andere culturen merkbaar kon zijn [139].

Het boek begint met Kuyper, maar Van Keulen betrapt Kuyper regelmatig op vooroordelen, zoals op p. 43-44: ‘Waar de diskwalificatie van islamitische geestelijken in deze woorden op berust, wordt nergens duidelijk. Het lijkt een vooroordeel van Kuyper te zijn.’ Zo ook p. 63 vv., waar Van Keulen aangeeft dat de visie op de plaats van de vrouw in de islam vooral gebaseerd is op vooroordelen en Kuyper in zijn visie op christelijke vrouwen hen nauwelijks een hogere plaats gaf, p.66; cf. p. 144. En hij signaleert terecht dat ‘bekende klassieke vooroordelen tegen de islam, zoals de wellust en de verbreiding van de islam via de macht van het zwaard, op vele plaatsen in Kuypers werk voorkomen, p.80. Op p.60, waar Kuyper meent dat de lichaamsbewegingen bij het islamitische gebed meer op de man dan op de vrouw berekend zijn, had van Keulen ter verduidelijking wel mogen vermelden dat de plicht om op vrijdag naar de moskee te gaan vooral de man geldt en veel minder de vrouw.

Het boek beperkt zich tot Kuyper en Bavinck; des te aardiger is het dat de auteur naging vanaf p. 149 hoe het gedachtengoed van deze twee theologen doorwerkten in latere tijd. De auteur zelf verkiest duidelijk Bavinck vóór Kuyper, die hij toch wel op veel vooroordelen betrapt heeft. Met argumenten handhaaft hij zijn keuze van Bavinck in weerwil van Anton Wessels, die Kuyper boven Bavinck verkiest [p.182vv.]. Van Keulen zelf zoekt de dialoog: ‘De enige weg om in onze tijd de vrede te bewaren is de weg van de dialoog.’ [p.178]. Dat oordeel onderschrijf ik van harte. We hebben hier te maken met een goede en informatieve studie.

Nog een paar opmerkingen: we vinden regelmatig lange citaten op bijv. p. 26, 36, 53, 87etc.; soms heel functioneel, zoals op p. 60 of noot 7 op p. 181, soms bijna overbodig zoals op p. 53. Een index van namen achterin het boek was wenselijk geweest, evenals een lijst van de geciteerde literatuur.

*Dirk van Keulen: Een blok aan het been? Gereformeerde mannenbroeders in debat over de islam, Boekencentrum, Zoetermeer, 2011, 187 p., € 14,90. De titel vind ik niet zo geslaagd; wie wil weten wat Van Keulen wil, leze de ondertitel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *