Bijbel en andersgelovigen

Het eerste testament

Schepping en zegen

God is de Schepper van elk mens. Hij houdt toegang tot het hart van elk schepsel en blijft op elk mens betrokken. Dat betekent ook dat de goede vruchten, die mensen in hun leven voortbrengen, te danken zijn aan de Schepper, die hen daarvoor toerustte. God roept alle mensen tot zijn koninkrijk. Van meet af aan is de zegen met de schepping verbonden. In het verbond dat God sloot met Noach wordt dit allemaal meer dan bevestigd. Dat verbond is geldig voor alle mensen, de zegen is universeel.

Zo zegt Genesis 9: ‘En God zei: Dit is het teken van het verbond, dat Ik geef tussen Mij en u en alle levende wezens, die bij u zijn, voor alle volgende geslachten: mijn boog stel Ik in de wolken, opdat die tot een teken zij van het verbond tussen Mij en de aarde… Als de boog in de wolken is, dan zal Ik hem zien, zodat Ik mijn eeuwig verbond gedenk tussen God en alle levende wezens van alle vlees, dat op aarde is.’ Dit wordt later nog eens bevestigd als Paulus tot andersgelovigen en heidenen zegt [Handelingen 14:16]: ‘Hij heeft ten tijde der geslachten, die achter ons liggen, alle volken op hun eigen wegen laten gaan, en toch heeft Hij Zich niet onbetuigd gelaten door wel te doen, door u van de hemel regen en vruchtbare tijden te geven en aan uw harten overvloed van spijs en vrolijkheid te schenken.’ God schrijft de boosdoeners niet af. Een moordenaar als Kaïn wordt weer op weg geholpen zo vertelt Genesis [4: 15]: ‘Toen zeide de Here tot hem: Ieder, die Kaïn doodt, zal zevenvoudig boeten. En de Here stelde een teken aan Kaïn, dat niemand, die hem zou aantreffen, hem zou verslaan.’

Roeping en verbond

Van meet af aan spelen de volken mee in de roeping van Israël. Als Abram geroepen wordt horen we in Genesis 12:3 : ‘Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.’

Niet alleen Isaac ontvangt een zegen, ook Ismaël wordt niet vergeten. God redt hem van de dood in de woestijn, zijn nageslacht zal zeer talrijk worden, en hij deelt in de zegen van Abraham. Het verbond dat God met Abraham sloot, zet anderen niet buiten spel. God openbaart zich ook buiten Israël aan mensen. Hij houdt, als Schepper, immers toegang tot hun hart. Een prachtige illustratie is het verhaal van Melchisedek in Genesis 14. Hij komt uit het niets en verdwijnt in het niets. In Hebreeën 7: 1-3 wordt hij zelfs zoon van God genoemd. De verklaring daarvoor is dat hij zijn priester- en koningschap rechtstreeks van God ontving, zoals God ook Jezus tot koning en priester maakte. Abraham laat zich door deze Melchisedek zegenen en wijst hem niet af; hij erkent Melchisedek en hij moet in die zegen Gods hand gezien hebben. Later, in het verhaal van Mozes, is Jethro weer zo’n figuur, die de Allerhoogste kent en dient en Mozes zegent. Altijd weer kan God zomaar iemand in dienst nemen om zijn plan uit te voeren en zijn volk te zegenen. De Perzische koning Kores zal het volk Israël uit babylonische ballingschap laten vertrekken, maar wordt daartoe door God bewogen, zo zegt Jesaja 44: 28 [vergelijk ook hoofdstuk 46:11]: ‘die tot Kores zegt: Mijn herder, hij zal al mijn welbehagen volvoeren door tot Jeruzalem te zeggen: Het worde herbouwd en de tempel worde gegrondvest.’ Voortdurend blijkt dat andersgelovigen niet buiten spel staan. Als Israël Kanaän binnentrekt, speelt Rachab een belangrijke rol in Jericho. Later wordt Elia van de hongerdood gered door de vrouw uit Sarfat [ 1 Koningen 17: 7 en volgende verzen]; op zijn beurt redt Elia haar kind weer van de dood. Naäman, de Syriër, wordt niet weggestuurd maar genezen. Het boek Ruth laat zien dat uit deze Moabitische vrouw koning David voort komt.

Bijzondere aandacht verdient Psalm 87; daar worden de vijanden van Israël [Filistijn, Tyriër, Moor] aangezien alsof ze in Jeruzalem geboren zijn en dus automatisch tot Gods verbondsvolk behoren. Er blijkt geen kloof te zijn tussen de volken, integendeel. Dus gaat Jona ook op pad naar Ninevé, niet omdat hij een universele visie had, want die had hij niet. Hij mag aan het voorbeeld van Ninevé leren hoe het wel moet. En wie God is wordt heel duidelijk: Hij is genadig en barmhartig, een God die mensen spaart… Steeds weer in allerlei visioenen, zoals in Jesaja 2 en 25 trekken de volken op naar Jeruzalem en worden door God aan zijn tafel ontvangen met belegen wijnen en goede spijzen.

Zodra Israël meent dat het iets bijzonders is, zodra vergeten wordt dat roeping alleen maar roeping tot dienst is, wordt het volk gecorrigeerd. Het scherpste getuigenis vinden we in Amos 9: 7: ‘Zijt gij voor Mij niet gelijk aan de kinderen der Ethiopiers, o kinderen Israels? luidt het woord des Heren. Heb Ik Israel niet uit het land Egypte gevoerd en de Filistijnen uit Kaftor en de Arameeërs uit Kir?’ Knarsetandend moeten de mensen dit aangehoord hebben; immers, hier wordt gezegd dat God ook andere volken hun Exodus gegeven heeft, dat Hij ook andere volken leidt en Israël zich niets moet verbeelden.

Het tweede testament

Van meet af aan spelen de volken een rol. Dat begint al bij het geslachtsregister van Jezus. Hij heeft naast joods bloed ook het bloed der volken. Hij komt niet alleen uit Abrahams schoot, maar ook uit die van Rachab, van Ruth en van Tamar. De vromen in Jeruzalem heten Hem geen welkom, maar de Wijzen uit het Oosten eren Hem namens de volken en redden zijn leven. Dan wijkt Jezus uit naar Egypte, zoals ooit het volk Israël daar van de hongerdood gered werd. Steeds weer komen zo andersgelovigen op een positieve wijze ter sprake. En zo gaat dat door in het Nieuwe Testament: In een gelijkenis wordt een Samaritaan als barmhartig voorgesteld, in tegenstelling tot een priester en een wetgeleerde. De Samaritaanse vrouw is een ander voorbeeld dat in het evangelie het vijanddenken doorbroken wordt: Zij hoort er volop bij. Als tien melaatsen genezen worden, vergeten negen te bedanken, maar de tiende die het wel doet is ook een Samaritaan. Van de hoofdman te Kapernaüm wordt gezegd dat niemand zo’n groot geloof had als hij, en hij was een Romein. Later zal een Romeinse hoofdman bij het kruis belijden dat deze Jezus waarlijk Gods zoon was. De Syro-phoenicische vrouw overtroeft Jezus zelfs door Hem te overtuigen dat kruimeltjes ook brood zijn en haar kind genezing verdient.

In zijn prediking sluit Jezus aan bij die lijn die in het Oude Testament al zichtbaar werd, bijvoorbeeld in Lucas 4: 25 ‘Doch Ik zeg u naar waarheid, er waren vele weduwen in de dagen van Elia in Israel, toen de hemel drie jaren en zes maanden lang gesloten bleef en er grote hongersnood was over het gehele land, en tot geen van haar werd Elia gezonden, doch wel naar Sarepta, bij Sidon, tot een vrouw, die weduwe was. En er waren vele melaatsen in Israel ten tijde van de profeet Elisa, en geen van hen werd gereinigd, doch wel Naäman de Syriër.’

Ruimhartig is deze Jezus, niet beperkend. Hij weet dat God de Schepper is van alle mensen en dat het God is die mensen goede vruchten geeft. Dus als zijn discipelen Hem waarschuwen dat iemand die Jezus niet eens volgt, maar wel goede dingen doet, dat werk zou moeten stoppen krijgen zij de wind van voren, zo lezen we in Lucas 9:49: ‘Meester, wij hebben iemand in uw naam boze geesten zien uitdrijven en wij wilden het hem beletten, omdat hij niet met ons U volgt. Jezus zeide tot hem: Belet het niet, want wie niet tegen u is, is voor u.’

Steeds weer wordt benadrukt: aan de vruchten kent men de boom. Dit heeft verregaande consequenties. De dingen kunnen wel eens anders liggen dan je denkt. Wij, die God denken te dienen, zouden wel eens buiten kunnen staan, en de mensen of de andersdenkenden die wij buiten sluiten, zouden wel eens in de feestzaal kunnen zijn. We horen dat o.a. in Mattheüs 8 als Jezus de knecht van de hoofdman te Kapernaüm genezen heeft: ‘Toen Jezus dit hoorde, verwonderde Hij Zich en zeide tot hen, die Hem volgden: Voorwaar, zeg Ik u, bij niemand in Israel heb Ik een zo groot geloof gevonden! Ik zeg u, dat er velen zullen komen van oost en west en zullen aanliggen met Abraham en Isaac en Jacob in het Koninkrijk der hemelen; maar de kinderen van het Koninkrijk zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; daar zal het geween zijn en het tandengeknars.’

Deze krasse uitspraak wordt bevestigd in Mattheüs 25 als het laatste oordeel beschreven wordt. Daar blijkt niet kerkgang of zelfs het geloof doorslaggevend, maar humaniteit. En het zou wel eens kunnen zijn dat andersgelovigen of – denkenden op dat punt beter scoren dan wij, die Jezus kennen. Doorslaggevend is daar of je de gevangene bezocht, de naakte kleedde, de hongerige te eten gaf, de dorstige te drinken, de zieke bezocht en de vreemdeling huisvestte. De mensen die Jezus dachten te kennen, staan buiten; de mensen die zeiden: ‘We kennen U niet’, worden toegelaten.

Ook het boek Handelingen is illustratief. Zowel Handelingen 10 als 17 zijn kernhoofdstukken. In Handelingen 10 wordt beschreven hoe de scheiding tussen reine en onreine mensen wegvalt, tussen Petrus en de Romein Cornelius. Cornelius blijkt iemand te zijn zoals bedoeld in psalm 87: Hij hoort erbij, en hoorde er allang bij, door zijn gebeden, aalmoezen en goede werken. God heeft hem al lang geaccepteerd alsof hij een geboren Jood is; alleen Petrus had dat nog niet in de gaten. In Handelingen 17 belijdt Paulus in zijn gesprek met andersgelovigen dat God niet ver is van ieder van ons. En daarvan akte!

Tot slot: De bijbel eindigt universeel met het bruiloftsmaal waar alle volken welkom zijn. In de woorden van Openbaring 21: 23-27: ‘ En de stad heeft de zon en de maan niet van node, dat die haar beschijnen, want de heerlijkheid Gods verlicht haar en haar lamp is het Lam. En de volken zullen bij haar licht wandelen en de koningen der aarde brengen hun heerlijkheid in haar; en haar poorten zullen nooit gesloten worden des daags, want daar zal geen nacht zijn; en de heerlijkheid en de eer der volken zullen in haar gebracht worden.’

Literatuur: J.D. Kraan, Bijbel en andersgelovigen, Kampen 1987

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *