Eerste Advent en een brandende vraag…

Het nieuwe kerkelijk jaar begint weer met de periode van Advent. Advent is een tijd van verwachting [dat is ook de betekenis van het woord], een uitzien naar de komst van Hem in wie wij de Heer [h]erkennen. Het is ook voorbereidingstijd voor het feest van het licht, dat Christus in de wereld bracht. De periode van Advent is daarom een tijd van donkerheid, boete, inkeer, duisternis, voorbereiding, bezinning en ingetogenheid. We keren tot onszelf in, we dimmen de lichten, we staan nog eens extra stil bij het leed van zovelen en van onszelf. En we vragen ons af of er nu werkelijk verandering gekomen is door de komst van Christus in deze wereld.

Eén van de bijbelgedeelten die oudtijds gelezen wordt in deze periode van Advent is Mat. 11: 2-15. Johannes de Doper zit in de gevangenis en laat door zijn leerlingen aan Jezus vragen of Hij nu werkelijk Degene is die komen zou, of dat wij een ander te verwachten hebben… Wat bracht Johannes tot zijn vraag? Dezelfde reden als waarom velen in deze wereld en ook in ons dorp die vraag stellen. Er is immers naast blijdschap zoveel verdriet; naast zegen zoveel tegenslag; naast gezondheid zoveel ziekte; naast geluk zoveel dreiging en ongeluk. Ik zie gezichten van mensen ver weg, in Midden-Amerika bijvoorbeeld of in Rwanda. Deze verloor zijn familie aan de vloedgolf, gene aan een moordpartij. En ik zie dichtbij een MS-patiënt, een vrouw door kanker getroffen, een weduwnaar, een paar ouders die wel een zoon hebben maar hij brengt slechts ongeluk. Ik zie asielzoekers die gedumpt worden op de hei en ik zie de ogen van een kind dat zo graag een vader wil hebben, maar helaas.

Johannes, die zo vol vuur gepreekt en gesproken had, die zo’n enorme indruk gemaakt had, die Jezus aangekondigd en gedoopt had, zit nu in de duisternis van de cel. En hij weet dat zijn leven aan een zijden draad hangt. En wij weten dat hij even later onthoofd wordt… En hij vraagt Jezus: Bent u het nu of bent u het niet? En als u het dan bent, die lang verwachte dienstknecht van God, waarom blijft het dan zo’n troep in de wereld? Moet Jezus zich niet heel anders weren dan door wat te preken en te genezen? Wordt het geen tijd eens orde op zaken te stellen in deze wereld, duidelijkheid te brengen, goed en kwaad te scheiden, schoon schip te maken?

Het antwoord van Jezus lijkt zo gezien dan ook een geweldige dooddoener: ‘Gaat, vertel Johannes dat blinden ziende worden, lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd, armen het evangelie ontvangen en doden worden opgewekt.’ In dit antwoord klinken profetieën uit Jesaja 29 en 35 mee. En in die profetieën wordt onderstreept dat God Israël zodoende verlossen zou. Door naar deze stukken te verwijzen, geeft Jezus Johannes een duidelijke vingerwijzing: Johannes, ik ben namens God bezig met de werken van God, die mensen doen opademen, omdat het tekenen zijn van een koninkrijk, dat niet alleen maar zal komen, maar reeds begonnen is.

Jezus zegt er iets bij, iets dat voor ons allen van groot belang is: ‘Zalig ben je, als je aan Mij geen aanstoot neemt’… Wat betekent dat? Het betekent dat je deze keuze van Jezus, deze manier van werken van God in de wereld, respecteert. Als wij God waren, zouden we het absoluut anders aanpakken. Onze aanvechting is als die van Johannes. Johannes kende de werken van Jezus best, maar ze bevielen hem niet! Johannes wilde wat anders: een eind aan lijden en dood, voorgoed; donder en bliksem; de oogst en een duidelijke scheiding tussen goed en kwaad. Maar zo gaat het niet: De morgen breekt langzaam aan, de duisternis wordt niet zomaar licht. Er is waken en uitkijken, wachten op de morgen, volhouden tot het licht schemert. Dat vraagt vertrouwen en geduld; en geloof dat Gods manier van werken uiteindelijk de beste keus is. Daartoe worden wij de komende weken uitgedaagd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *