God op bezoek… (Lucas 4: 14-30)

 

Het zal je maar gebeuren wat die mensen in Nazareth overkwam: Je leest uit de Bijbel, iemand staat op, zegt: Ik ben Jezus en al die woorden handelen over Mij. Ik ben de vervulling van die oude woorden van Jesaja. Ik ben gekomen, juist voor die armen, zieken, vreemdelingen, voor de mensen die niet tellen en zijn afgeschreven. In een psychiatrische inrichting heb ik het wel meegemaakt dat iemand zich als Jezus bekend maakt. Hoewel je bedacht bent op merkwaardige gebeurtenissen in Franeker, of vroeger in Vogelenzang, word je dan toch zeer verrast. Het zal je maar gebeuren hier vanmorgen dat iemand op staat en zegt: ‘Ik ben Jezus, en die woorden die Lucas Mij in de mond legt gaan nu voor jullie allemaal in vervulling.’ Hoe zouden wij reageren op zo’n Messias?Misschien dat we niet allemaal even blij zouden zijn. Laat ik een voorbeeld geven. Ooit las ik het boek van Peter Ustinov, getiteld De oude man en meneer Smith. Met de oude man wordt in dat boek God bedoeld en met meneer Smith de satan. In het boek wordt verteld dat God en satan elkaar weer spreken voor het eerst sinds eeuwen en samen de aarde bezoeken.

Het boek is een heel eerbiedige poging bepaalde moeilijke thema’s aan de orde te stellen. Tegelijk is het boek ook zeer humoristisch, bijvoorbeeld als de oude man, die dus staat voor God, gearresteerd wordt en moet zeggen wie zijn vader en moeder zijn. Die heeft Hij dus niet. En een röntgenfoto maken van de arrestanten lukt ook al niet.

Op een bepaald moment bezoeken de oude man en meneer Smith, God en satan dus, een kerkdienst van een Amerikaanse tv-dominee. En dan gebeurt er dit, ik lees nu even rechtstreeks voor uit het boek: ‘De dominee maande iedereen tot stilte en sprak toen: “Er is hier iemand aanwezig vandaag, dat voel je in je zondige hart; mensen, God is hier aanwezig. Dit is zijn huis. Hier woont Hij bij ons. En laat me dit zeggen mensen: Als Hij zou besluiten zich hier vandaag kenbaar te maken, als Hij zou verschijnen in iedere vermomming die Hij in zijn oneindige wijsheid zou kiezen, dan zou ik Hem meteen herkennen en ik zou zeggen namens u: O Heer God, we groeten u in alle eenvoud, in ontzag voor uw majesteit, ons koesterend in de warmte van uw genegenheid en we zouden zeggen: Heer welkom thuis, hier voor uw tv station met uitzendingen naar meer dan 100 landen.” De dominee raakte in tranen, geroerd door zijn eigen emoties… De oude man verhief zich en begon het podium te beklimmen. Een veiligheidsmedewerker hield Hem tegen: “Je kunt daar niet heen, oudje.” “ Maar ik ben herkend,” zei de oude Man. De oude man richtte zich tot de t.v. dominee en zei: “U hebt Mij herkend, en ik ben diep geroerd.” “ Wees niet bang,” riep de tv dominee, die van dit oudje geen enkele concurrentie verwachtte. “Waarom zou ik bang zijn na het welkom dat u mij heette,” riep de oude man met een stem die de hele kerk vulde. “Geef hem een microfoon,” zei de dominee. “Hij heeft geen microfoon nodig,” antwoordde de geluidstechnicus, die zeer onder de indruk was. “Ik heet u welkom, wie bent u oude man,” zei de dominee.

“Ik ben pas een paar dagen terug op aarde. U bent de eerste persoon die mij in een openbare gelegenheid herkende. Ik feliciteer u. Ik ben God.” De dominee keek ineens wanhopig. Hij had verkeerd gegokt. God was wel de laatste concurrent waar hij behoefte aan had. “Oude man, beseft u wel dat u zich schuldig maakt aan misbruik van Gods Naam,” zei de dominee? “Verknoei het nu niet,” zei de oude man, “u deed het zo goed.” De dominee sprak: “Zal ik u vertellen hoe ik weet dat u God niet bent?” “Dat kunt u niet weten,” zei de oude man, “u zei toch zelf dat ik elke vermomming mocht kiezen die ik wilde?” De dominee sprak: “Er is één ding dat God nooit zou doen, en daarom kunt u God niet zijn. Momenteel verspilt u zeer kostbare zendtijd door het voor u zelf in te pikken, en dat terwijl wij God dienen door 24 uur per dag de heilige boodschap te verspreiden op eigen kosten. God zou dat weten, die is immers alwetend? Ga terug naar waar je vandaan kwam, scheer je weg.” Enkele veiligheidsmensen probeerden de oude man van het podium weg te trekken. En de menigte kwam in opschudding en de camera’s richtten zich nog slechts op de dominee terwijl de oude man hulpeloos bleef staan.

Tot zover het boek.

Dit verhaal helpt ons te proeven wat in Nazareth gebeurd is. Jezus hield daar zijn intreepreek en ontvouwde zijn programma. Hij paste de woorden van Jesaja op zichzelf toe. Jesaja sprak over het jubeljaar, dat elke 50 jaar gehouden werd. Dan werden gevangenen losgelaten, slaven vrij gelaten, land werd teruggegeven, schuld werd kwijtgescholden. Ieder kon opnieuw beginnen, nieuwe kansen, een schone lei. Jezus heeft vooral aandacht voor de mensen die normaal gesproken niet of nauwelijks meetellen: Armen, gevangenen, blinden.

De mensen in Nazareth hebben duidelijk een ander verwachtingspatroon. Zij willen wonderen zien. Jezus deed dat elders, nu moet Hij dat hier ook maar doen. Ze hebben een bepaalde visie op God en willen die niet bijstellen. Maar Jezus geeft in zijn intreepreek haarfijn aan waartoe onze eredienst moet leiden: Tot dienst in en aan de wereld. Recht doen aan elkaar, dienen, herstellen wat gebroken is, dat zijn de dingen die behoren tot het koninkrijk van God.

Als Jezus een bezoek aan Nederland zou aankondigen, dan ziet u de stoet al staan: De Raad van Kerken, priesters, predikanten, ministers, alles zou in de rij staan. Het Amstelhotel gereserveerd. We zouden het niet begrijpen als Jezus zijn intrek nam in de rosse buurt in een kamer van het Leger des Heils, verblijvend tussen de daklozen. We zouden het nog minder begrijpen als Hij een bezoek aan het AZC zou verkiezen boven het diner met Hare Majesteit.

Wanneer werden de mensen in Nazareth kwaad en wilden ze Jezus zelfs doden? Dat was toen Jezus over de vrouw uit Sidon begon, en over Naäman, die Syriër. Buitenlanders, andersgelovigen zelfs. Toen was de boot aan. Later maakte Jezus zich nog minder populair door het verhaal van de barmhartige Samaritaan te vertellen. Dat juist die buitenlander deed wat gedaan moest worden en de dominee en de ouderling het lieten afweten, konden de mensen niet verkroppen. Maar eigenlijk was het patroon van begin tot einde duidelijk: Waren het niet de wijzen uit het Oosten die op kraambezoek kwamen en bleven de vromen in Jeruzalem niet op hun krent zitten? En later werd Jezus gekruisigd door toedoen van de godgeleerden en de t.v. dominee’s van die dagen terwijl een romeinse hoofdman moest uitspreken Wie Hij waarlijk was: Gods Zoon.

Op deze zondag van het werelddiakonaat dienen wij een God die wereldwijd kiest voor de zwakke en de arme, de zieke en de vreemdeling, de werkloze, de gemartelde, de gevangene, de getraumatiseerde, de hulpbehoevende, de weduwe, de wees. Ver weg en dichtbij mogen wij trachten hoop te brengen en nood te lenigen. Zeven jaar heb ik voor de zending in Pakistan gewerkt en nog heb ik op mijn netvliezen staan de beelden vaan een paar miljoen Afghaanse vluchtelingen in de kampen bij Peshawar. Zij woonden op een paar vierkante kilometer en er was nauwelijks drinkwater laat staan middelen van bestaan. Zonder problemen in Nederland te bagatelliseren weet ik wel dat het vluchtelingenvraagstuk daar anders van karakter was dan hier. Ook daar enorme spanningen, die soms leidden tot diefstal, geweld en moord. Juist als zulke zaken in het geding zijn, kunnen emoties hoog oplopen, omdat die mensen nog de traditie van de bloedwraak kennen. Zeer getroffen ben ik toen door moslims die opriepen elkaar te vergeven en dit geweld te stoppen. In Nederland maakten wij kort geleden diezelfde grootheid mee: Ouders van door Turken vermoorde meisjes in Gorinchem riepen op tot gesprek met de Turkse gemeenschap omdat het niet aangaat elke Turk als moordenaar te zien als éen Turk verkeerd handelt. Zo’n reaktie is in de lijn van het evangelie en getuigt van wijsheid. Het kost soms veel moeite om samen die grootheid op te brengen. Maar wij dienen een God wiens Zoon vermoord is door mensen en toch geeft die God de mensen niet op. Laten wij dus proberen elkaar niet op te geven, elkaars pijn te peilen, door te praten over alles wat ons dwars zit en dan zo’n weg te zoeken dat in ieder geval de zwakken onder ons, dichtbij en verweg, de steun krijgen die ze nodig hebben.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *