Op dié manier heeft God de wereld lief gehad…

Ps. 77*, gemeente, is niet de meest opgewekte psalm in de Bijbel. Je behoeft geen groot uitlegkundige te zijn om te zien wat hier allemaal speelt. Er is een stem van iemand die roept tot God in de narigheid van het leven. Op zich is dat toch een punt om even te markeren. Je kunt God er ook buiten laten. Je kunt ook zeggen: Er is geen God, dingen gaan zoals ze gaan, er is niemand die stuurt in deze wereld, en zeker geen God die ingrijpt.

De mens die in deze psalm aan het woord is, kijkt toch anders. Dit is een mens die hoe dan ook weet heeft van God en God zoekt en vertrouwt. Maar het vertrouwen is bitter beschaamd. Denk ik aan God dan kreun ik, zegt deze mens. Dat klinkt als: Als ik bij deze ellende er ook nog aan moet denken dat er ergens een God in het spel is, of een God is die leeft en dit maar laat gebeuren, dan wordt mijn lijden eerder verergerd dan dat ik er ook maar iets van opknap!

De psalm gaat verder: Denk ik aan de dagen van vanouds, aan de jaren achter mij, dan zie ik mijzelf nog zingen in de kerk en geloven tegen de klippen op. Maar nu lijkt alles ten einde. Het enige wat ik nog voel is pijn, verdriet, eenzaamheid. Vergeet God genadig te zijn? Heeft Hij zijn liefde voor de wereld stop gezet?

Ik vind het een buitengewone troost dat deze gedachten open en bloot in de bijbel staan. De bijbel durft heel wat meer te zeggen dan velen van ons. Wij vinden dat al gauw ongepast. Zo mag je niet tegen God spreken. Je mag niet schreeuwen: God waar zit U, als U er bent? Voor velen heeft Ps. 77 geen plaats in hun geloofsleven, en het boek Job al zeker niet. En toch zijn er zovelen, ook in dit dorp, die Ps. 77 zomaar vanuit hun eigen leven kunnen invullen. Wij hebben hier de laatste maanden nogal wat meegemaakt. Zondag aan zondag moeten we opstaan, soms om te horen dat jonge jongens of mannen in de bloei van hun leven overleden zijn.

Je hoeft nog niet eens zelf veel meegemaakt te hebben om toch al de gedachten van Ps. 77 te beamen. Want allemaal worden we geconfronteerd met het leed in de wereld. Je hoeft alleen maar de krant te lezen en het journaal te kijken. Overstromingen in Polen, opgesloten mijnwerkers in een aantal landen, waaronder Rusland, de olieramp van BP én Amerika, vermoorde moslims in Pakistan of elders, oorlog in veel landen in deze wereld, Korea, piraterij en brutale overvallen overal. En waar zit God, zo vraag je je af.

Maar als je dan zelf ook nog ziek wordt, ernstig ziek? Zwaar suiker, of MS, of kanker of een hartinfarct? Sommige mensen zijn al zo lang ziek, en er is zo weinig perspectief. Morgen wordt in mijn wijk een weduwe 80; ze is al jaren ziek en 42 jaar weduwe. Sommige gelovigen zeggen rechtstreeks: Waarom straft God me? Zo’n mens haalt God bij zijn of haar ziekte, net zoals de dichter van Ps. 77 kreunt als hij aan God denkt. Ziek zijn en geloven, het lijkt een slechte combinatie.

Dit krenkt mij, dat God verandert, zegt Ps. 77. Denk ik aan de dagen van vroeger, toen alles nog goed was, dan kun je het niet rijmen met je huidige sitatie. Zijn mensen die getroffen worden door ongeluk of erge ziekte groter zondaars dan anderen, dat dit hen overkomt?

Zo kun je er niet over praten. Denk aan wat Jezus zegt in Lucas 13. Daar waren mensen gedood door een omgevallen toren. En Jezus zegt: Die mensen zijn niet zondiger dan anderen. Mensen die ziek zijn of getroffen worden door een ongeluk hebben dat niet verdiend. Het overkomt hen. Ik grijp even terug op een preek over Prediker van jaren terug. Prediker zegt klip en klaar dat mensen de vinger niet achter Gods werk krijgen. Ik zei toen in dat verband: ‘Zoveel mensen vragen zich af waarom dingen gelopen zijn in hun leven zoals ze gelopen zijn. Zeer dikke en geleerde boeken zijn over de waarom-vraag geschreven. Ik heb vele van die boeken gelezen en ze bevredigen me geen van allen. Dingen gebeuren in het leven; een tijd van zegen en voorspoed, van onbezorgd geluk; maar ook een tijd van ongeluk, van ziekte en dood; van faillissement en een onbeantwoorde liefde. Ondanks alles liggen al onze tijden op voor ons onnaspeurbare wijze verankerd in Gods tijd en blijft God altijd op ons betrokken in alles wat er gebeurt. ‘

Wij krijgen de vinger er niet achter, achter dat waarom. Ps. 77 zegt dat aan het slot het op een heel mooie manier: Gods voetstappen zijn in de zee, zie vers 20. Gods voetsporen worden niet gekend, zo staat er uitdrukkelijk bij. We weten niet waarom de dingen gaan zoals ze gaan. Waarom de één dit overkomt en de ander dat. Waarom deze wereld zo in barensnood is. We krijgen onze vingers er niet achter, en we moeten dat zelfs niet proberen.

Maar wat voor zin heeft het dan nog om over God te praten? Om in de kerk te zitten? Om te geloven? Ook die vraag moeten we dan maar stellen aan de auteur van Ps. 77. Hoezeer die ook klaagt en verzekert dat Gods wegen onnaspeurbaar zijn of dat God verandert lijkt, zeer opvallend is toch dat vanaf vers 12 een heel andere toon wordt aangeslagen: Daar lezen we ineens: Ik zal de daden van de Heer gedenken. Gedenken als vanouds, toen ik nog blij mee kon zingen in de kerk. Want wie is een God zoals Gij? Gij zijt de God die wonderen werkt.

Hoe hebben we het nu? Alle problemen ineens opgelost? Natuurlijk niet! Niet voor niets volgen de woorden dat Gods voetstappen in de zee zijn, pas aan het slot van de psalm. Maar toch kreeg de dichter of dichteres even lucht. Misschien was er wel een priester op bezoek geweest, aan wie hij of zij haar nood had geklaagd. Misschien was die priester ook wel zo wijs geweest om de klacht te laten staan en niet dicht te smeren met goedkope opmerkingen in de trant van: ‘Het gaat wel over’ of ‘Het kan nog erger’. Want voor sommigen gaat het niet over en je voelt je eigen smart het meest. Misschien heeft die priester of leviet of buurman of – vrouw iets anders gezegd: Als jij denkt dat God je straft, zit je ernaast. Wij kunnen Gods werk in ieders mensenleven niet zomaar aanwijzen. Maar wat we wel kunnen is ons een beeld van God vormen zoals we die hebben leren kennen. En laten Gods voetstappen dan in de zee zijn, ze waren ook in de Schelfzee! God is geen God die onbewogen bleef bij de ellende van zijn volk, Hij greep in en verloste. Hij bracht ons naar het beloofde land. Hij blijft zijn woord trouw. Hij doet wat Hij heeft gezegd. Hij is juist de God van de weduwe, de wees, de vreemdeling, de arme, de zieke, zegt Ps. 146. Kijk, zoiets heeft de dichter of dichteres van Ps. 77 misschien gehoord. En het hielp om een goed beeld van God te krijgen: Ach natuurlijk, God stuurt geen kanker niet op m’n lijf, God is er niet op uit mijn leven te verzieken. We kennen God toch anders?!

En wij, als mensen van 2010, die nog veel verder terug kunnen kijken, kunnen daar zoveel bij aanvullen. Wij kunnen toch zeggen: Alzo lief had God de wereld dat Hij Jezus zelfs gestuurd heeft? En niet alleen opdat we nu leven hebben, maar zelfs dat eeuwig leven mogelijk is, zoals de tekst zegt!

In Joh. 3: 16 klinkt de kern van de blijde boodschap door. De tekst is zo overbekend dat wij al gauw denken : we weten wel wat daar staat. Dat nu is zeer de vraag! In vers 2 had Nicodemus al gezegd: ‘Wij weten’… Maar Nicodemus had er niets van begrepen.

Alzo lief, zegt Jezus… Het is bijna aandoenlijk. Een klein kind zegt: Zó groot is mijn vader… Zó lief mijn moeder. Zo… Er zijn geen woorden voor, het is onuitsprekelijk. Maar Jezus maakt het concreet: Zo lief had God de wereld, dat Hij zijn Zoon stuurde. In die mate. Maar je mag ook zeggen: Op die manier heeft God de wereld lief. Dat Hij zijn Zoon zond. Laten we maar eerlijk zeggen dat wij het liever anders hadden gezien. Wij hadden graag gewild dat de wereld meteen verlost was. Wij hadden wel gewild dat God zijn mensen meteen naar het land van licht gehaald zou hebben… Wij hadden wel gewild dat God als een soort tovenaar in een handomdraai een einde maakte aan allerlei ziekte en ellende. Wij hadden gewild dat God zó de wereld zou liefhebben. Maar God heeft anders gekozen. Als wij met het oog op alle ellende in deze wereld ons afvragen: Hoe kan God liefde zijn? – dan nemen wij al snel ons uitgangspunt in dat door ons bedachte reddingsplan, in die manier die God niet koos voor het uiten van zijn liefde.

Nee, zó heeft God de wereld liefgehad, op die manier, dat Hij Jezus stuurde. Een zeer riskante weg, jawel. Ook een weg waarin de wereld niet overdonderd of uitgeschakeld wordt, of schaakmat gezet. God had de wereld immers lief? En liefde laat ruimte voor een ander, zelfs voor afwijzing van de liefde. Niet voor niets wordt Jezus aan een kruis getimmerd! Zoals een vader zijn zoon kan opwekken om als arts in een lepra-gebied te gaan werken terwijl je weet dat een arts risico loopt ziek te worden en te overlijden, zo heeft God het risico ingecalculeerd dat Zijn Zoon slachtoffer zou kunnen worden. God heeft de dood van zijn Zoon niet gewild, maar wel ingezien dat het zou kunnen gebeuren, en Hij heeft het toegelaten toen het eenmaal gebeurde. Die eenzaamheid heeft Jezus moeten dragen, en daarom voelde Hij zich in de steek gelaten door God, zoals vandaag de dag zoveel mensen zich door God in de steek gelaten voelen en niet kunnen geloven dat God de wereld lief heeft. Wie klaagt en lijdt, voegt zich dus in het gezelschap van Gods eigen Zoon. Wij zijn niet meer dan onze Heer. Hij leed, wij lijden. Hij stierf, wij sterven. Hij had pijn, wij hebben pijn. Het is Hem niet bespaard, het wordt ons niet bespaard. Hij was helemaal geen zondaar en wij zijn geen groter zondaar dan anderen.

En Gods voetstappen zijn in de zee… Maar ook in de Schelfzee van deze wereld. God werkt dus aan verlossing. Verdriet en geluk gaan naast elkaar zoals onkruid en graan samen opgroeien. Maar ooit komt die scheiding, definitief. Tussen goed en kwaad, tussen leven en dood, tussen geluk en ongeluk. Dan gaan ziekte, dood, ongeluk en onkruid er voorgoed uit. Want zó lief heeft God nu juist deze wereld gehad. Hij wacht tot de oogst daar is. Dat betekent dat onkruid de kans krijgt groot te worden; dat betekent dat niet alleen het goede hondervoudig zichtbaar kan worden, maar ook dat het kwaad volwassen wordt, en daarvan zien wij alles in deze wereld. En toch, voor die wereld heeft God zijn Zoon gegeven. Voor de hele wereld, niet alleen voor de enkeling. God gunt niet alleen een enkeling eeuwig leven in een land van licht, God wil dat deze wereld zelf gaat baden in het licht. God gunt zijn schepping eeuwig leven, d.w.z. onaantastbaar, vol, echt leven, niet meer bedreigd door ziekte, dood of kwaad. Naar die toekomst kijken we uit. En we hopen op basis van het verleden en krijgen zo kracht om het heden te dragen. Want alzo lief heeft God deze wereld dat een ieder die blijft geloven, niet verloren gaat, maar eeuwig leeft. Amen.

*Preek op 30 mei 2010 in ‘De Ikker’ te Bergum over Ps. 77 en Joh. 3: 1-16.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *