Over Gods openbaring en leven na de dood

Hoe komt een predikant aan zijn tekst? Soms een inval, vaak door het landelijk preekrooster te volgen, soms door het lezen van een boek. Ik ben momenteel een recensie aan het schrijven over de ‘Christelijke dogmatiek’ van Van den Brink en van der Kooi* en werd geraakt door het motto van dat boek: Wat hebt u dat u niet hebt ontvangen? – 1 Kor. 4: 7. Al lezende dacht ik: Daar moet ik het met u vandaag maar eens over hebben, want het raakt aan heel belangrijke zaken, letterlijk van levensbelang.

Wat hebt u dat u niet hebt ontvangen? – 1 Kor. 4: 7. Een diepgaande vraag. Want, zo belijden wij, wij hebben ons leven uit Gods hand ontvangen. En in het begin van de schepping heeft God de schepping gezegend. Daardoor zijn dag en nacht mogelijk, doen zon en maan hun werk, is er regen en droogte en kan het leven zich voortplanten. Vroeger stond op een geboortekaartje: Dit kind, ontvangen uit Gods hand. En zo is het, nu nog. Weliswaar is een vrijpartij tussen vader en moeder onontbeerlijk, maar als God toen de schepping niet gezegend had, zou die vrijpartij helemaal niets opleveren. Wat hebt u dat u niet hebt ontvangen? -1 Kor. 4: 7. We hebben alles ontvangen, ook de kennis over God, Gods openbaring. Als God het ons allemaal niet verteld zou hebben, dan zouden we niets weten. Mensen hebben eindeloos gefilosofeerd over God en ze hebben veel onzin verteld. Ze hebben verteld dat God onveranderlijk is. Als dat zo is, zou God geen gevoelens hebben, want gevoelens leiden altijd tot verandering. Aangezien God wel gevoelens heeft, blij en boos kan zijn, weten we dat God veranderlijk is. Als Ninevé zich tegen de zin van Jona in bekeert, verandert God van gedachten en spaart Ninevé. Toen God de uitwerking van de zondvloed gezien had zij Hij: Dat zal Ik nooit meer doen. We hebben gezegd dat God almachtig is, maar dan zou God ook nergens aan gebonden zijn, omdat Hij nu eenmaal ‘alles kan’. Dan krijg je ook flauwe grapjes als: Kan God zo’n zware steen maken dat Hij hem zelf niet meer op kan tillen? De Bijbel vertelt dat God gebonden is aan zijn verbond met de mensen, dus God is niet zo almachtig dat Hij dat kan veranderen.

Wij hebben te vaak filosofische taal gebruikt. Dan is God almachtig, alomtegenwoordig, onveranderlijk enz. Heel veel geloofsproblemen kun je voorkomen door te kijken hoe de bijbel over iets spreekt. Dus de bijbel zegt niet: God is almachtig, maar God kan iets doen op het moment dat het nodig is. De bijbel zegt niet: God is alomtegenwoordig, maar God kan daar zijn op het moment dat het nodig is. De bijbel zegt niet: God is onveranderlijk, maar God kan veranderen als de situatie daarom vraagt. De bijbel zegt niet: Gods wil geschiede, maar Gods wil zal geschieden omdat anders Zijn koninkrijk niet voltooid zal worden. In het Onze Vader staan die twee zinnen niet voor niets bij elkaar en eigenlijk zou je altijd moeten bidden: Uw wil geschiede zodat uw koninkrijk zal komen. Dan weten we voorgoed dat niet alles Gods wil is, in feite heel veel niet, eerder menselijke boosaardigheid.

Wat hebt u dat u niet hebt ontvangen? – 1 Kor. 4: 7. We hebben kennis van God ontvangen, openbaring. En hierover wil ik het vanmorgen vooral met u hebben. Er zijn theologen genoeg geweest die dit ontkennen. Kuitert is een mooi voorbeeld als hij zegt: Alle wijsheid over God komt niet van boven, maar hebben we zelf bedacht. Er is geen openbaring, dus de bijbel heeft ook geen gezag. Ik zeg het kort en zwart wit, maar hier draait het op uit. Kuitert weet met de woorden uit 1 Kor. 2 geen raad: Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen… God heeft ons verteld, doen ervaren dat Hij of Zij er is en dat we Hem of Haar ten diepste hebben leren kennen in Jezus Christus. Ik kan niet bewijzen dat God bestaat. Maar er is ook geen mens die kan bewijzen dat God niet bestaat. Want geloofsuitspraken laten zich niet bewijzen. Stel nu eens dat het bestaan van God zich op een overtuigende manier liet aantonen. Zouden daardoor ook meer mensen gelovig worden? Dat staat nog maar te bezien. Onder geloof verstaan we immers niet slechts het onderschrijven van bepaalde waarheden zoals “God bestaat”, maar vooral een bepaalde levenshouding: een gelovige toewending naar God vanuit je hart, waardoor je in je bestaan voor altijd op God georiënteerd blijft. Wanneer God een verpletterend bewijs voor zijn bestaan zou leveren, dan zou dat slechts tot een soort geloof leiden dat door de feiten is afgedwongen. Het zou het type geloof zijn dat Jakobus aan de demonen toeschrijft (Jak. 2:19) – die geloven ook in God (d.w.z. ze zijn overtuigd van Gods bestaan), maar dat leidt er bepaald niet toe dat ze in een positieve verhouding tot Hem komen te staan. Geloof dat door zulk ‘hard bewijs’ ingegeven wordt, is dus nog lang niet hetzelfde als geloof in de eigenlijke zin van het woord: vertrouwensvolle overgave aan God, die gepaard gaat met verwondering, eerbied en liefde. Bij dit ‘ware’ geloof komt heel wat meer kijken dan een rationele overtuiging, namelijk dat iemand zich in zijn bestaan laat raken en aanspreken waardoor er verlangen groeit om voor God te leven. Of wij wel of niet in God geloven hangt af van de keus van het menselijk hart, of wij wel of niet antwoorden op Gods openbaring.[1] Het is zoals Jezus in het verhaal over de rijke man en de arme Lazarus Abraham laat zeggen: ‘Als zij niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen zij zich ook niet laten overtuigen als iemand uit de doden zou opstaan’ (Luc. 16:31). Met andere woorden: hoeveel wonderlijke tekenen van zijn bestaan God ook zou geven, het blijft altijd mogelijk de goddelijke oorsprong daarvan te ontkennen – al was het maar door te zeggen dat iets nog niet verklaard kan worden door de huidige wetenschap.

Bestaat God? Heeft God zich geopenbaard? Is er leven na de dood? De bijbel zegt: God bestaat; God openbaarde zich, diepgaand in Jezus Christus, en er is leven na de dood, want God is geen God van doden, maar van levenden en God heeft een nieuwe aarde beloofd waar gerechtigheid woont. Maar ik dat niet geloven want ik zie daar niets van… Ach, we zien wel meer niet, maar dat zegt niet dat het onmogelijk is. Een mooi voorbeeld is een gelijkenis, vermoedelijk van Henri Nouwen, naverteld door Margriet van der Kooi, de vrouw van Cees, éen van de schrijvers van de dogmatiek, die dit verhaal in het boek opnam.

‘Er was eens een tweeling, twee jongetjes, die net ontvangen waren en in het verborgene van de baarmoeder groeiden. Ze ontwikkelden zich en werden zich bewust van elkaar en hun omgeving. Ze lachten en zeiden: “Wat is het geweldig dat wij ontvangen zijn! Wat is het geweldig dat w dat wij leven!” Samen gingen ze op onderzoek in de wereld waarin ze leefden. Toen ze hun navelstreng ontdekten, waren ze blij: “Kijk eens hoe groot de liefde van onze moeder is: zij deelt haar leven met ons!” De weken veranderden in maanden. De jongetjes merkten dat ze erg veranderden. “Wat betekent dat?” vroeg de ene. “Als dit zo doorgaat moet het wel betekenen dat er straks een eind komt aan ons verblijf in deze wereld,” zei de ander. “Maar ik wil hier helemaal niet vandaan,” zei de eerste, “ik wil hier altijd blijven”. “We hebben niks te kiezen,” zei de ander. “Maar misschien is er wel leven na de geboorte!” “Hoe kan daar leven zijn?”, antwoordde de eerste. “Dan moeten we de streng loslaten, en hoe is er leven mogelijk zonder de navelstreng van onze moeder? En nog iets: we hebben wél bewijs dat hier anderen voor ons geweest zijn, maar geen van hen is ooit teruggekomen om te vertellen dat er leven na de geboorte is. Dit moet het einde zijn!” Zo werd de eerste wanhopig en radeloos. “Als ontvangenis eindigt in geboorte, wat is dan het doel van leven in de baarmoeder? Het is zinloos. Misschien is er wel helemaal geen moeder.” “Maar er móet wel een moeder zijn,” wierp de andere tegen, “hoe zijn wij hier anders gekomen? Hoe blijven we anders in leven?” “Heb jij onze moeder dan wel eens gezien?” vroeg de eerste. “Misschien bestaat ze alleen maar in onze verbeelding. Misschien hebben wij haar bedacht, omdat die gedachte ons een prettig gevoel geeft.” Zo kwam het dat die laatste dagen in de baarmoeder vervuld waren van angst en wanhoop. Eindelijk kwam de dag van de geboorte. Toen de jongetjes met moeite hun wereld verlaten hadden, deden ze hun ogen open. En ze huilden van pure vreugde. Want wat ze zagen overtrof hun stoutste verwachtingen.’[2]

Bestaat onze moeder? We hebben haar nooit gezien… Bestaat God? We hebben Hem nooit gezien. Totdat de geboorte komt. Onze dood is een nieuw begin op de nieuwe aarde en het overtreft onze stoutste verwachtingen, ook al kunnen we er ons nu geen voorstelling van maken omdat we nog in de barensweeën zitten van die oude wereld die nieuw moet worden. Maar God heeft het ons geopenbaard, zoals Jezus tegen Petrus zei toen hij Hem beleed als Christus: Gelukkig ben je, Simon Barjona, want dit is je niet door mensen van vlees en bloed geopenbaard, maar door mijn Vader in de hemel (Mat. 16:17). God wordt gekend door God. Of: God openbaart zich door zijn Geest. Paulus zegt: Wat hebt u dat u niet hebt ontvangen? De vraag is: Willen we het wel ontvangen, willen we het geloven? Heer, kom ons in ons kleingeloof te hulp.

*De preek dateert van november 2012; het boek is G. van den Brink en C. van der Kooi, Christelijke dogmatiek. Voor de recensie zie elders op deze website onder ‘boekrecensies’.

[1] Zie p. 61.

[2] Zie p. 72-73.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *