Vierde Advent en de maagdelijke geboorte

 

Lezing op 4e Advent [18 december] 2011: Lucas 1: 26 -38

Maria is de griekse vertaling van het hebreeuwse Mirjam. En Mirjam betekent: bemind door de Heer. Die naam bloeit op als zij bezoek krijgt van de engel. Het verhaal van Maria wijkt af van andere bijbelverhalen; zij is niet oud als Sara, zij is niet onvruchtbaar als Rachel of Hanna, zij staat aan het begin van haar leven. Zij is een mens als wij, die we niet zullen begrijpen door haar te verheerlijken of te vergoddelijken. Voor Mariaverering is weinig plaats en de gedachte dat Maria altijd maagd bleef is geheel vreemd aan de Bijbel. Anderzijds mogen wij haar wel eren als een vrouw die groot geworden is door haar geloof en dienst. Zij is zeer velen tot voorbeeld geworden door haar geloof, haar gehoorzaamheid en haar bereidheid tot dienst. Maria ondergaat alles niet lijdelijk; naarmate zij het geheim beter begrijpt en het kind in haar groeit verenigt haar wil zich met Gods wil. Ze wordt als het ware een tweede Samuël, die ooit zei: ‘Spreek Heer, uw dienstknecht hoort’.

Ineens staat een engel bij haar. Dat blijven voor ons dingen die heel ver van ons af staan. En toch worden wij bestookt met verhalen over engelen die ons verschijnen. Ds. Stolp bijvoorbeeld heeft in vele boeken geschreven over verschijning van engelen. Je kunt natuurlijk zeggen dat zo’n man overdrijft of met molentjes loopt. Eerlijk gezegd lees ik die verhalen ook heel kritisch en kan ik niet meegaan in zijn latere ontwikkeling. Maar toch moeten wij, wat mij betreft, ruimte laten voor ervaringen die wij niet onmiddellijk kunnen verklaren. Ons verstand mag niet ons hele mens-zijn beheersen, we moeten ruimte laten voor een geheim, voor ervaring, voor gevoelens. Jaren geleden stond in Centraal Weekblad* een verhaal van Margriet van der Kooi, een vrouw die wij niet kennen als een onkritische, overdreven voorgangster, integendeel. Vanuit haar pastoraat vertelt ze het verhaal van mevrouw X die haar man verloren was. Er waren geen kinderen gekomen in hun huwelijk en zij was ontroostbaar. Dan gebeurt het volgende, en ik citeer nu even het artikel: Ik werd steeds maar verdrietiger en radelozer. Toen was het alsof iemand mijn kamer binnenkwam en naast mijn bed kwam staan. Of beter: Het was zo, ik kon hem bijna aanraken. Hij keek me aan, en ik Hem en toen legde Hij zijn hand op mij. Ik voel die hand nog, hier. En toen zei hij mijn naam. Hij zei alleen maar mijn naam. En toen nog: ‘Vrees niet’. En daarna was Hij weg. Heel rustig. Margriet van der Kooi vindt dat een wonderschoon verhaal en zij las daar na Ps. 139: ‘Heer, Gij kent mijn liggen en mijn opstaan, Gij kent van verre mijn gedachten. Gij legt uw hand op mij.’ Een prachtige verbinding tussen de bijbel en de werkelijkheid van mevrouw X. U hoeft dit verhaal niet te geloven. Maar mevrouw X kon daarna het leven weer aan. Haar ervaring is onuitwisbaar. En ik ken meer mensen met zulke ervaringen. Ze zijn door God aangeraakt. Ze hebben een engel gezien, een boodschapper van God, die even in hun bestaan inbrak. Zo vaak al hoorde ik verhalen van mensen die een geliefde missen en vertellen dat hij of zij even in de kamer was en hen liefdevol aankeek. Het geeft heel veel troost, zoals anderen weer erg gesteund worden door bijna-dood-ervaringen.** Het verhaal van Maria staat misschien veel dichter bij onze werkelijkheid dan we denken. Veel mensen hebben het idee dat ze even door God aangeraakt zijn, bij de naam genoemd zijn. Dat bij de naam noemen is essentieel. Gevangenen in deze wereld zijn naamloos, hebben alleen een nummer; hun naam telt niet, hun bestaan wordt ontkend. Daarom is het goed om bijvoorbeeld kaarten te schrijven aan gevangenen via de bemiddeling van Amnesty International, want zodoende kunnen we mensen bij de naam noemen om de machthebbers in deze wereld te laten weten dat wij die mensen kennen en dat wij via onze brief hun bestaan bevestigen. Wie naamloos is telt niet mee. Wie een naam heeft kan geroepen worden, genoemd worden, bevestigd worden in zijn of haar bestaan. God bevestigt het bestaan van dit meisje als de engel tot haar zegt: Maria! En ook al schrikt zij zeer, na haar schrik komt zij tot haar zinnen en ziet zij haar werkelijkheid onder ogen: Een kind Heer? Maar ik heb geen omgang met een man! Dat is voor de engel en voor God geen probleem: De engel antwoordt dat de Geest van God haar zal overschaduwen. Want wat uit haar geboren wordt is van God en geschiedt krachtens de wil van God. Wij noemen dat een maagdelijke geboorte. En we vinden dat onbestaanbaar en onmogelijk.

Ik denk dat wij elkaar op dit punt niet de maat moeten nemen en al evenmin elkaar moeten verketteren. Bij het verhaal dat ik u zojuist vertelde over mevrouw X en haar engelverschijning is de éen erg geraakt en de ander haalt zijn schouders op. Bij het verhaal van de maagdelijke geboorte is het al evenzo; voor de een is het de opperste geloofswaarheid, voor de ander volslagen onmogelijk. Laten we niet doen alsof de één dan direkt vrijzinnig en de ander orthodox is. Een zeer rechtzinnig theoloog als Kohnstam heeft toch zijn bedenkingen bij de maagdelijke geboorte omdat hij er een bijzondere waardering van de maagdelijkheid in proeft en meent dat via een verheerlijking van die maagdelijkheid eigenlijk huwelijk en sexualiteit in een kwaad daglicht komen te staan. Dus nogmaals, we moeten elkaar niet onmiddellijk zonder grondige discussie etiketjes op plakken!

Natuurlijk is er van alles tegen een maagdelijke geboorte in te brengen. Ons verstand kan er niet bij, dat is één. Of we hebben allerlei egyptische of griekse verhalen gelezen over goden die bij aardse vrouwen een goddelijk kind verwekken. Daardoor zou de bijbel dan geïnspireerd zijn, al geeft men wel toe dat je hier in Lukas een heel ander klimaat aantreft dan bij die andere verhalen. Een derde punt is dat die maagdelijke geboorte alleen maar bij Mattheüs*** en Lukas een rol speelt en niet bijvoorbeeld in de brieven van Paulus. Met andere woorden, zo zeggen Nico ter Linden en andere theologen: Maria is natuurlijk een theologische maagd, en geen biologische.

Het klinkt allemaal geweldig. Maar er is toch wel wat tegengas te geven. Allereerst moet je je afvragen of de schepping van hemel en aarde voor God wel mogelijk zou zijn, inclusief de schepping van de mens, maar dat het dan Godsonmogelijk zou zijn om Maria dit leven te geven. Zoals de eerste Adam niet uit mensenhanden kwam, maar door God geschapen is, zo kwam de tweede Adam van Gods kant doordat de Geest van God leven wakker riep in Maria. Ten tweede lezen we in het evangelie van Johannes in feite natuurlijk ook over een maagdelijke geboorte, want dit Woord, wat geboren is, leefde al die tijd al bij God en was zelfs God. Dat Woord werd vlees. Het koos ervoor temidden van mensen te zijn om het leven van de mensen te delen. En dat Paulus niet over de maagdelijke geboorte zou spreken is natuurlijk onzin als je het 2e hoofdstuk van de Filippenzenbrief leest waar staat dat Jezus Christus de gestalte van God had, maar zijn gelijkheid aan God niet vasthield doch er afstand van deed en de gestalte van een slaaf aannam en gelijk werd aan een mens. Zulke zinnen laten weinig ruimte voor misverstand. Bovendien wordt via de maagdelijke geboorte benadrukt dat het initiatief van de verlossing van mensen van Gods kant kwam en dat is tamelijk fundamenteel. Want wij mensen slaan niet alleen tegenover elkaar de plank veelvuldig mis, maar ook doen wij God tekort, dag in dag uit. Daartoe hebben wij Gods vergeving nodig, wij kunnen dat niet zelf ongedaan maken. De maagdelijke geboorte is de handreiking van God om ons te verzekeren dat God zelf die vergeving aanbiedt en dat God er alles aan doet om mensen uit het moeras te halen waaruit zij zichzelf niet omhoog kunnen trekken.

Des te mooier is dan dat God de mens desondanks niet buiten spel zet. Maria vertegenwoordigt de mens die mee wil werken aan dit initiatief van God. Zij neemt haar taak en dienst op zich door te zeggen: Hier ben ik, mij geschiede naar uw woord.

Zo’n woord wijst ook ons een weg voor de toekomst. Want de kerk mag treden in de voetsporen van Maria. De definitieve komst van Christus staat immers nog uit en er valt nog veel te doen en veel voor te bereiden. De vraag is immers of de Zoon des Mensen nog wel geloof zal vinden op aarde tegen de tijd dat Hij voorgoed komt. De kerk mag zich daarom, net als Maria, voorbereiden. En ze mag een weg banen! Wij moeten bereid zijn, net als Maria, om Christus in ons te laten groeien, om zijn Geest in ons te laten werken. Dezelfde Geest die Maria vruchtbaar maakte, wil immers ook ons bevruchten. Wij weten ook heel goed wat de vruchten van de Geest zijn: Liefde, blijdschap, geduld, eenheid, vriendelijkheid, gehoorzaamheid enzovoort. Zoals Christus aller dienstknecht werd, zo is de kerk nu in deze wereld de knechtsgestalte van Christus. Als Christus de kerk tot zijn moeder neemt, dan neemt de kerk Christus op in haar leven. Zo krijgt het verhaal van Maria handen en voeten voor de praktijk van elke dag en zo kunnen wij Maria’s daad van geloof en gehoorzaamheid invoelen en eveneens ten uitvoer brengen. God vroeg Maria: Ben je bereid te dienen? We kennen haar antwoord. God vraagt nu ons, als kerk: Ben je bereid Christus in je te dragen, te laten groeien, en ben je bereid zo de knechtsgestalte van Christus in deze wereld te zijn? En hopelijk zeggen dan ook wij: Ons geschiede naar uw Woord.

* Nu ‘Christelijk Weekblad’

** Zie bijvoorbeeld het boek van Pim van Lommel Eindeloos bewustzijn.

*** In het geslachtsregister dat Mattheüs geeft in hoofdstuk 1 staat continu N. verwekte N., maar in vers 16 staat dat N. Jozef verwekte, ‘de man van Maria, uit wie Jezus geboren is’. M.a.w.: Jozef heeft Jezus niet verwekt. Zie ook verderop in dit hoofdstuk: ‘want wat in haar verwekt is, is uit de heilige Geest’.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *