Over God en de keizer en waar het echt op aankomt…

                            Tekst: Marc. 12: 17

We kunnen zonder overdrijving zeggen dat de tekst uit Marcus 12: 13-17 de basis is geworden om allerlei theorieën op te bouwen: Geef aan de keizer wat van de keizer is en geef aan God wat God toebehoort. Allerlei theorieën rond kerk en staat gaan terug op Marcus 12. De hele twee-rijkenleer van Luther rust op deze tekst. De Lutherse kerk in Duitsland leefde de scheiding tussen kerk en staat strikt na. Met als uiterste consequentie dat de kerk zich zelfs in de tijd van het Nazi-regiem weinig of niet met de politiek bemoeide op sommige verzetsstrijders na zoals Bonhoeffer. Wat Hitler zei en deed behoorde tot het terrein van de keizer en de kerk moest daarbuiten blijven. Met desastreuze gevolgen!

Die scheiding is natuurlijk een grote misvatting: het geloof heeft overal mee te maken of het heeft nergens mee te maken. Het geloof behoort je hele leven te beïnvloeden: de keuze van je werk, de keuze van je partner, de keuze van je vakantieland, je hele gedrag, de partij die je stemt, alles wordt beïnvloed door je geloof. En als we dat nog niet wisten uit de Bijbel kun je het van moslims leren, want ook zij zien het leven als een geheel en van een scheiding van kerk en staat moeten ze niets weten.

Moet de politiek dus ook op de kansel? Wis en waarachtig; het gaat ons aan wie volgende week in Frankrijk president wordt; we moeten hier commentaar kunnen geven op wat president Trump doet of meneer Wilders of mevrouw Le Pen; we moeten de wijsheid van de Brexit kunnen bespreken en de gevaren van het doorgeschoten nationalisme. We moeten kunnen zeggen dat al die mensen die Europa willen opheffen klaarblijkelijk de eerste en de tweede wereldoorlog vergeten zijn, met dank aan dat nationalisme. Profeten als Amos, Jesaja, Hosea en Jeremia bemoeiden zich met koningen en koninkrijken; zij gaven aan wat de staat hoort te doen, wil het een rechtvaardige staat zijn. Jesaja liep in zijn blote billen door de straten van Jeruzalem om de mensen op te roepen niet op buitenlandse koningen te vertrouwen, want die zouden hen uitkleden; alleen naar het Woord van God moest men horen. En wie kan de profeet Elia vergeten die koning Achab op het matje riep toen hij de wijngaard van Naboth ingepikt had en Naboth had laten vermoorden? Of de profeet Samuël, die zowel Saul als David tot koning heeft gezalfd? En wie is het verhaal kwijt van de profeet Natan, die koning David kwam bestraffen toen hij overspel met Batseba gepleegd had en haar man Uria had laten vermoorden? Moslims, joden en christenen belijden samen dat God en het geloof in het leven het belangrijkste zijn en de rest van je leven behoren te bepalen. Dus het hele leven, inclusief het politieke leven, op de kansel ter sprake brengen is opdracht voor elke predikant. Wat die predikant nooit mag doen is partij-politiek bedrijven en adviseren wat mensen zouden moeten stemmen.

Nu dit duidelijk is kan ik vervolgens heel ontspannen zeggen dat een twee-rijken-leer of de scheiding tussen kerk en staat helemaal niet opgehangen kan worden aan Marcus 12: 13-17. Daar gaat het hier niet over. Wel onderstreept dit gedeelte dat de gehoorzaamheid aan God belangrijker is dan gehoorzaamheid aan de keizer of gehoorzaamheid aan je vrienden, je werk, je baas, je politieke partij, je partner of je kinderen.

Deze tekst uit Marcus geeft geen politieke theorieën, totaal niet. Deze tekst staat in een heel ander verband en daarom zijn we ook beginnen te lezen bij vers 1. In de gelijkenis van de wijngaard en de pachters wordt volkomen duidelijk wat hier bij Marcus aan de orde is. Met die pachters bedoelt Jezus de leidslieden van Israël, kijk maar naar vers 12: Daarop wilden de leidslieden van het volk Jezus gevangen nemen, want ze wisten dat Hij met het oog op hen deze gelijkenis verteld had. Duidelijker kun je het niet zeggen. In vers 13 tot 17 worden de pogingen voortgezet om Jezus te pakken. Ze leggen een strik om zijn nek en proberen die aan te trekken. Want, zo lazen we, ze stuurden Farizeeën en Herodianen om Hem een ongeoorloofde uitspraak te ontlokken. Naar dat stukje gaan we nu kijken, maar ik wil er eerst nog even op wijzen dat het in vers 18 gewoon verder gaat, want toen stuurden ze Sadduceeën naar Jezus met de vraag of er een opstanding uit de doden is. Weer een strikvraag! Waarom? Omdat de Farizeeën en Herodianen Jezus niet hadden kunnen pakken! En tenslotte komt in Marcus 12: 28 nog een Schriftgeleerde vragen wat nu eigenlijk het grootste gebod is. Een heel hoofdstuk lang wordt dus getracht Jezus ten val te brengen. Farizeeën, Herodianen, Sadduceeën, Schriftgeleerden, onderling diep verdeeld, werken eendrachtig samen om Jezus ten val te brengen. Allemaal vrome mensen, maar zoals vaker: hoed u voor vrome mensen. Vrome moslims kunnen terroristen worden, vrome joden kunnen als kolonisten de laatste centimeters Palestijnse grond inpikken en vrome christenen kunnen vrouwen en kinderen misbruiken. Jezus zelf had al eerder gewaarschuwd voor Farizeeën: ze wandelden in lange gewaden, waren tuk op eretitels, spraken lange gebeden uit voor de schijn, maar wisten de huizen van goedgelovige weduwen wel te vinden om hen uit te buiten.

Nu terug naar de verzen 13-17. Waarom stuurde het Sanhedrin Herodianen en Farizeeën? Omdat Herodianen, volgelingen van Herodes, heulden met de Romeinen en geen moeite hadden om de keizer belasting te betalen. Farizeeën daarentegen wilden die belasting niet betalen. Want op het geld stond de kop van keizer Tiberius, zoals nu nog op de euro het hoofd van Willem Alexander staat of koning Albert of straks de nieuwe president van Frankrijk. De Farizeeën zeiden: het 2e gebod zegt dat wij geen gesneden beelden mogen maken; dat hoofd op het geld deugt niet, want hier krijgt een mens de eer die slechts God toekomt. Dus Farizeeën betaalden grommend en morrend, de Zeloten, die tegen de Romeinen streden, betaalden helemaal niet.

Dus het Sanhedrin stuurt twee groepen naar Jezus, die elkaar op dit punt in de haren vlogen. Nu echter zijn ze even eensgezind. Daar komen ze, vals lachend; eerst spreekt hun tong een zoet vergif: ‘Meester, wij weten dat Gij waarschtig zijt, en dat Gij u aan niemand stoort; want Gij ziet de mensen niet naar de ogen, maar Gij leert de weg van God in waarheid’. Een prachtig begin, nietwaar! Onder de tale Kanaäns wordt de leugen bedekt en de list verborgen. Alweer, pas op voor vrome prietpraat: niet alle vrome taal is door de Geest ingegeven! En dan komt de vraag: is het geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet? Ook weer zoiets: Jezus moet ja of nee zeggen; nuanceren kan niet. Maar… als Jezus zou zeggen: betalen, dan zou Hij de kant van de Romeinen kiezen; dan zou Hij tegen het volk ingaan, dat liever niet wil betalen onder druk van de Farizeeën; dan zou Hij het 2e gebod overtreden, dat zegt: Gij zult u geen gesneden beelden maken, en de kop van de keizer was zo’n beeld! Als Jezus ‘betalen’ zou zeggen, dan was Hij een valse Messias en zouden de Farizeeën onmiddellijk moord en brand gaan roepen. Maar als Jezus zou zeggen: ‘niet betalen’, dan zouden de Herodianen, vriendjes van de keizer, Hem aanklagen voor het oproepen tot revolutie, het oproepen tot verzet tegen de keizer, het oproepen tot burgerlijke ongehoorzaamheid.

Het is geweldig om te zien hoe koninklijk Jezus zich uit de situatie redt. Hij zegt: laat me eens een geldstuk zien. En ze geven het Hem. Waarom vraagt Jezus geen geld aan zijn penningmeester, aan Judas? Omdat Hij wil laten zien dat de mensen, die zo tegen dit heidense geld zijn, dat geld gewoon in hun broekzak hebben zitten. Over schijnheiligheid gesproken! Zo wordt duidelijk dat het geld gewoon gebruikt wordt in de economie, in het dagelijks leven. Als dat dan toch gebeurt, zegt Jezus dan ook: geef wat van de keizer is, nu maar gewoon aan de keizer. Zijn beeld staat er op, dat geld hoort bij hem. Maar geef aan God wat van God is. Want wiens beeld dragen jullie, jullie mensen? We hebben in Genesis het antwoord gelezen: de dieren worden geschapen naar hun aard, maar de mens wordt geschapen naar Gods beeld. Wij zijn gestempeld door God, beelddrager van onze Schepper. We dragen Gods beeld, dus wij behoren toe aan God in ons hele doen en laten. Jezus vraagt als het ware: is er een partij die hiervoor opkomt? Farizeeën, Herodianen, ze hebben allemaal hun partij en hun belangen. Maar is er nog een partij die voor God opkomt, mensen oproept om God te dienen in alles wat ze doen en laten? Laat die keizer met zijn munt, maar dienen wij, als mensen, als beelddragers van God, wel onze God? Geven wij onszelf aan God? In alles moeten wij God toch meer gehoorzaam zijn dan de mensen? Wij wisten wat we moesten doen in de 2e wereldoorlog; de keizer, in dit geval de Nazi’s, zeiden: joden moet je verraden, wij willen ze doden. Maar wij wisten dat God zei: redt de joden uit die moordzuchtige klauwen. Als het er echt op aan komt is wat God van je vraagt belangrijker dan wat je partner, je kind, je werkgever of de overheid wil, als zij tenminste tegen God ingaan. Als het er op aan komt is God nr. 1 in je leven als anderen tegen Gods aanwijzingen in willen gaan. Laat die keizer zijn munt, geld is in het leven niet het belangrijkste en geld maakt zelden gelukkig; het gaat om heel andere dingen in het leven: liefde, vriendschap, vergeving, solidariteit met mensen die het minder hebben enz. Welke partij komt daar voor op? In alles wat we zeggen en doen zijn wij beelddrager van God. Dat is Gods gave aan ons; en voor ons is het een opgave om zó te leven dat we herkenbaar zijn en blijven als een schepsel van deze God. Amen.

Lezen: Genesis 1: 26 t/m 2:3 en Marcus 12: 1 t/m 17.

De preek in deze vorm werd uitgesproken in Akkrum op 30 april 2017.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *