Reitsma zoekt geen dialoog met moslims in ‘Kwetsbare liefde’

Vorige maand (mei 2017) verscheen bij uitgeverij Boekencentrum ‘Kwetsbare liefde – De kerk, de islam en de drie-enige God’ van Bernhard Reitsma. Reitsma is bijzonder hoogleraar aan de Vrije Universiteit en heeft als leeropdracht de kerk in de context van de islam. Daarnaast is hij projectleider kerk en islam en docent missiologie aan de Christelijke Hogeschool Ede. Jaap Kraan las het boek voor ‘Nieuwwij’ en meent dat Reitsma in zijn boek niet de dialoog met moslims zoekt.

De ondertitel van het boek van Reitsma markeert onmiddellijk een belangrijk verschil tussen moslims en christenen: christenen belijden, in tegenstelling tot moslims, de drie-enige God. Dit boek gaat dan ook niet over de dialoog tussen moslims en christenen; bekende islamologen, die zich zeer hebben ingezet voor die dialoog zoals Dick Mulder, Jan Slomp, Gé Speelman en Harry Mintjes worden blijkens de registers niet eens genoemd. Naar Anton Wessels wordt één keer verwezen, maar zijn gedachtengoed over de dialoog wordt nergens gehonoreerd.

Wat er de laatste halve eeuw gebeurd is vanuit de Protestantse Kerk in Nederland aan de dialoog met moslims wordt niet vermeld en niet naar waarde geschat en we zijn met Reitsma in feite terug bij de opstelling van Johannes Verkuyl: het gesprek met moslims moet gaan over ons evangelie; dus worden allerlei zaken rondom de verkondiging van het evangelie aan moslims met de bijbehorende gevoeligheden aangeroerd, zoals bijvoorbeeld in hoofdstuk 10.3.

Ook de Rooms-Katholieke Kerk met de belangrijke verklaring ‘Nostra Aetate’ van het Tweede Vaticaans Concilie blijft buiten beeld bij Reitsma. Een sleutelzin waarom van dialoog nauwelijks sprake kan zijn vinden we op p. 184: ‘De synthetische benadering  is eigenlijk niet in staat recht te doen aan de exclusiviteit van het scheppingswerk van de drie-enige God.’ Maar de ‘synthetische benadering’ kun je heel anders vullen dan Reitsma deed op p. 21 en het scheppingswerk van God zie ik bij voorkeur inclusief. Dan wordt dialoog wel mogelijk.

Dit boek gaat dus vooral over de roeping van de kerk ten aanzien van moslims: ‘Hoe moet de christelijke gemeenschap zich verhouden tot de islam? Wat is het wezen van de kerk?’, p. 16. Dus gaat deel I over de drie-enige God. Deel II (De islam als uitdagende gemeenschap) beschrijft niet de islam maar beziet de islam aan de hand van twee vragen: zijn God en Allah dezelfde en ‘hoe verhouden de religieuze ervaringen van moslims zich tot het werk van de Geest van de ene God, door Jezus Christus’ (p.31). In deel III gaat het over de kerk en in deel IV over de roeping van de kerk in haar verhouding tot de islam.

De hoofdstukken 2 en 3 (= deel I) handelen dus over de drie-enige God en Gods plan met de schepping. Reitsma stelt de vraag niet aan de orde of we in het Eerste of Oude Testament wel kunnen spreken van een drie-enig God. Uiteindelijk loopt dit deel uit op de vraag of bestaan en wezen van God uit de schepping af te leiden zijn. Reitsma meent van niet, en daarmee vervalt voor moslims (en anderen) een mogelijkheid om God op natuurlijke wijze te leren kennen. Of God zelf zich aan die regel gehouden heeft? Getuige Melchisedek, die zijn priesterschap rechtstreeks van God ontving (Genesis 14:18vv.) en voorloper van Christus werd (Hebreeën 6:20-7:28) niet; getuige de priester van Midian, Jetro, de schoonvader van Mozes, niet; getuige de wijsheid van het boek Spreuken met zijn veelal buiten-Bijbelse bronnen niet; getuige de Moabitische Ruth, die stammoeder van Israël wordt, niet; getuige de Syrische Naäman, die genezen wordt terwijl melaatsen in Israël ziek blijven, niet. Getuige Elia, die zich om de hongerige weduwe in het buitenlandse Sarefat bekommerde, niet; want de hele Bijbel door mikt God op alle volken.

Hoofdstuk 4.3 is een te lange verhandeling over het eten van offervlees, die slechts relevant wordt op p. 88-89 als Reitsma concludeert dat als iets niet uit God is, het nog niet uit de boze behoeft te zijn en als Reitsma terecht concludeert dat moslims geen kinderen van satan zijn, maar dezelfde God aanbidden als christenen, zij het dat moslims en christenen een verschillend beeld van God hebben.

Hoofdstuk 7 is een goede en evenwichtige bijdrage aan de discussie over de islam, de  kerk en Israël: de kerk is niet onopgeefbaar verbonden met de staat Israël, maar met de God van Israël, p. 131. Voor de kerk gaat het niet om een strook land aan de Middellandse Zee maar gaat het om de nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont, p. 133; het koninkrijk van God mikt op alle volken, en die notie relativeert en relateert onze keuzen vóór de staat Israël of vóór de Palestijnen, p. 134.

In hoofdstuk 9 wordt terecht aandacht gevraagd voor de kwetsbare positie van christenen in islamitische landen. Dat Reitsma voor deze groep opkomt is een goede zaak want mensenrechten vormen een integraal onderdeel van de dialoog. Of het lijden tot het DNA van de christelijke gemeente behoort op de wijze waarop Reitsma dit uitlegt, p. 176, vraagt wat mij betreft om een diepgaand theologisch debat.

In het register van auteurs staan veel fouten; zo wordt o.a. bij Wessels, Westermann en Vriezen verwezen naar de pagina’s 248 en 249, maar daar staan bijbelteksten… Zo wordt onder de namen van Fotopoulos, Francisco, Gardner, Garland en Garrison verwezen naar p. 240, maar daar staan ze niet…

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *