De maaltijd van de Heer: wie zijn genodigd?

De redactie van dit blad vroeg mij mijn licht te laten schijnen over de vraag: Wie mogen deelnemen aan het avondmaal? Graag geef ik u enkele gedachten door op dit punt.*

  1. Naam

Zelf gebruik ik bij voorkeur de naam “maaltijd van de Heer”; het woord avondmaal sluit niet aan bij onze praktijk –wij vieren de maaltijd vooral ’s morgens; bovendien is het woord in het verleden nogal bezoedeld; hoeveel “avondmaalstrijd” is er niet geweest in de kerkgeschiedenis, ook tussen de Reformatoren?

  1. Hét uitgangspunt

God gaat op twee manieren met ons om; via de taal en het teken. De taal staat voor de verkondiging van het Woord, voor het gesprek, publicaties enzovoort. Het teken –sacrament- is de doop of de maaltijd van de Heer. De taal staat niet boven het teken, het teken niet boven de taal. Alle Reformatoren hebben de verkondiging en de maaltijd op één lijn gezet. Het één is niet belangrijker dan het ander; het vult elkaar aan. Onze oren worden gebruikt voor de taal; smaak, reuk en gezicht worden gebruikt als er gedoopt wordt of als we samen aan de maaltijd zitten. Iemand zei eens: In het Woord horen we Gods genade klinken, in de maaltijd krijgen we de zoen erbij. Geen teken zonder taal, geen taal zonder teken. Dit uitgangspunt beslist in feite alle andere discussies, zoals hieronder zal blijken. Dit uitgangspunt haalt één grote streep door de Rooms-katholieke praktijk waar de mis magisch wordt en alles bepalend is. En als we bij voorkeur over “heilig” avondmaal spreken, waarom hebben we het dan nooit over de heilige verkondiging van het Woord?

  1. Frequentie

Hoe vaak mogen we de maaltijd vieren?

Elke zondag. Er wordt toch ook elke zondag gepreekt? Een volledige kerkdienst heeft twee brandpunten: taal en teken. Een kerkdienst zonder maaltijd is een geamputeerde dienst; wij zeggen tegen de Heer: Uw woord mag klinken, de maaltijd hoeft wat ons betreft niet. In de Oude Kerk werd elke zondag de maaltijd gevierd. In het oude geschrift de Didaché, 100 jaar na de dood van Jezus, lezen we: op de dag des Heren breken we het brood. In de 4e eeuw schreef men in de Apostolische Constituties: een diaken haalde een moeder met kleine kinderen naar voren… Toen kinderen eenmaal gedoopt werden, was er zelfs zuigelingencommunie. De bijbelse woorden “doet dit tot mijn gedachtenis”, vormen, taalkundig gezien, een imperativus praesentis; de betekenis is: doet dit voortdurend! Aan het begrip maaltijd is inherent dat men het vaak doet! In Handelingen 2: 46 lezen we: voortdurend braken zij het brood.

Wij hebben, eigenmachtig, de frequentie veranderd. We vierden de maaltijd 1x per twee of drie maanden. Dus werd het “avondmaal” steeds meer bijzonder; zo bijzonder dat ik als kind nog meemaakte dat het een week van tevoren “voorbereid” moest worden door een [gedeelte van een] formulier te lezen en het moest ook nog nabetracht worden… We moesten toch wel weten wat we gedaan hadden! Al die dingen waren onmogelijk geweest als men het elke week was blijven vieren. Hebben we ooit de preek voorbereid en nabetracht? Weer: de boedelscheiding eiste zijn tol. Ook de hele discussie over kinderen aan het avondmaal was dan een non-discussie geweest, want hoe zal men elke week de kinderen wegsturen?

En waarom alleen censura morum voor een viering van de maaltijd en niet voor de preek? We hebben de viering zo belast met allerlei regels. In de Roomse Kerk vroeger moest men voor de maaltijd biechten en in sexuele onthouding leven. Dat maakte de mis niet populair! Dus werd de maaltijd zo weinig meer gevierd dat het Lateraans concilie in 1215 moest verordineren dat de mis minstens 1x per jaar gevierd moest worden. We hebben mensen onder de tucht gezet, en ze van de maaltijd afgehouden; ze mochten wél naar de preek luisteren. Op tal van manieren heeft de boedelscheiding tussen taal en teken de maaltijd uit het lood getrokken. Avondmaalsmijding kwam op, want we moesten onszelf onderzoeken; het goed maken met onze broeder… Ieder beproeve zichzelf… We moesten heilig genoeg zijn om aan te zitten… Maarten ’t Hart vertelt in een van zijn romans over een dominee die de maaltijd bedient en zelf niet meedoet, want hij is niet heilig genoeg. Geldt dat allemaal ook niet voor de verkondiging? Hield ooit een dominee tijdens de preek zijn mond omdat hij niet heilig genoeg was? En was de maaltijd eigenlijk niet bedoeld voor zondaren in plaats van voor heiligen?

  1. Wie mogen aanzitten?

Wie naar de preek mogen luisteren! Er is geen verschil tussen taal en teken. Wie naar de preek mag luisteren, mag meeëten. Dus: alle mensen; groten en kleinen. En als er nu een moslim in de kerk zit? Sturen we die weg voordat de preek begint? Kunnen we die dus wegsturen als de maaltijd begint? Kunnen we tegelijk tegen zo iemand zeggen: God houdt wel van u, maar nu wegwezen? Zal de boodschap dat God van die mens houdt dan ooit nog begrepen worden? Als christenen voelen wij ons genodigd; we hebben ook ingevoerd dat we eerst belijdenis moeten doen als we aan de maaltijd mogen zitten; weer zo’n menselijk regeltje, want we hebben nooit gezegd dat iemand belijdenis moet doen om naar de preek te mogen luisteren. Maar goed, we hebben onze regeltjes gemaakt: Je mag meedoen aan de maaltijd als je groot bent, christen bent, belijdenis gedaan hebt, het goed gemaakt hebt met je broeder of zuster, deugdzaam leeft enz. Dan ben je genodigd.

Jezus vertelde een prachtige gelijkenis over al die genodigden; God wilde een maaltijd houden [dat is een kenmerk van God!] en nodigde mensen uit; ze kwamen niet. Ze hadden wel wat beters te doen dan bij de Heer aan tafel zitten; ze gingen trouwen of werken of naar een zwembad, maar eten kwamen ze niet. Toen zei de Heer: Haal alle mensen die je tegenkomt naar mijn huis; uit de heggen en de steggen; bedelaars en rijke mensen; groten en kleinen; hetero’s en homo’s; zwarten en blanken; ongelovigen, andersgelovigen of gelovigen. Het enige dat telt is: mijn huis moet vol worden, mijn feestmaal moet doorgaan, zie Mattheüs 22: 1-14. Maar als u het van Lucas wil horen kan dat ook: In Lucas 13: 22-30 staat dat mensen kloppen op de deur van het koninkrijk en zeggen: Heer, u heeft voor ons gepreekt en we hebben met u gegeten… Nou en? Jezus zegt: Desondanks zijn jullie rechtsverkrachters; uit het oosten, westen noorden en zuiden zullen anderen komen, en ze zullen aan tafel worden genodigd in het koninkrijk van God. Kennelijk hecht de Heer wat minder aan onze regels.

  1. Karakter en beleving van de maaltijd

Veel mensen zijn bij de maaltijd slechts gericht op het verleden: Men denkt aan de kruisdood van Jezus; voor velen is de maaltijd een begrafenismaal. Bijbels gezien gaat het niet alleen om het verleden, maar ook om het heden en de toekomst. Het heden: Nu ervaar ik de gemeenschap met God en de mensen, proef ik dat God mij nieuwe kansen geeft, het verleden wegzegent. En het gaat om de toekomst, om Jezus die zei: Ik zal voorzeker niet meer eten dan in het koninkrijk Gods; of denk aan Jesaja 25, waar alle volken op de berg des Heren eten en drinken. De maaltijd is eerder een feest dan een begrafenismaal. En organisten zouden dus ook geen langzame treurmuziek moeten spelen, maar een sprankelende sonate van Vivaldi.

* Dit artikel verscheen in het blad “Geandewei” op 5 december 2014

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *