Discussie Kraan en Ouweneel over de islamnota van de PKN in het FD

Inleiding

In het Friesch Dagblad werd een discussie gevoerd over de islamnota van de Protestantse Kerk in Nederland, die in 2010 op de synode van die kerk behandeld werd. Kraan schreef daarover in het Friesch Dagblad op 27 oktober 2010: ‘Mag het een onsje meer zijn’? Ouweneel* reageerde in die krant op 9 november en schreef: ‘Burgumer dominee Kraan heeft het mis’. In de krant van 11 november antwoordde Kraan met het artikel ‘Islam zou doodbloeden als het niets met God van doen had’. Daarop schreef Ouweneel in de krant van 15 november ‘Kraan zegt veel waars maar zit ook mis met Koran uitleg’. Daarop sloot Kraan op 17 november de discussie met het artikel ‘Profeet Mohammed vertelde ook waarheid over God’. Hieronder volgen deze vijf artikelen.

Mag het een onsje meer zijn? Over de Islamnota van de PKN

Op vrijdag 12 november 2010 zal de Protestantse Kerk in Nederland zich beraden over een nota waarin de verhouding tussen christenen en moslims het thema is. Het is voor de eerste keer in het bestaan van de Protestantse Kerk dat ruimhartig aandacht aan de Islam besteed wordt. De nota ‘Integriteit en respect’ is een nota die er zijn mag. De auteur is prof. Reitsma, die als islamoloog de problematiek kent en ook weet hoe kerken in islamitische landen moeten vechten voor hun bestaan. De nota geeft goede informatie over de Islam; er is betrokkenheid en zorgvuldigheid; moeilijke thema’s worden niet uit de weg gegaan. Het is een zegen dat de nota niet is geschreven door goedwillende theologen met weinig kennis van zaken; het is ook een zegen dat niet de scriba van de kerk de nota gemaakt heeft: Plaisier schreef in 2005 dat ‘de islam als een gericht over de Europese cultuur verstaan moet worden. Deze Europese cultuur heeft in belangrijke mate de eigen geestelijke wortels verloochend. Ook ben ik van mening dat de manifeste aanwezigheid van de islam een gericht is over een kerk, die door tweedracht is verdeeld, door verlegenheid met de eigen identiteit is verzwakt en door aanpassing aan de tijdgeest is vervlakt… De vraag die gesteld moet worden is, of de islam de gesel Gods is, die de kerk oordeelt als heet noch koud… De islam is een alternatieve religie tot het christendom, geen parallelle religie… Maar een religie, die zich heeft ontwikkeld als een alternatief monotheïsme, ontstaan in bewuste afwijzing van het hartbegrip van het christelijk geloof: de vleeswording van het Woord, de kruisdood en opstanding van Jezus als verzoening tussen God en mens, die religie kán niet opgevat worden als een parallel met het christelijk geloof. Integendeel, hier scheiden principieel de wegen.’

De nota brengt spanningen en gevoelens tussen moslims en christenen duidelijk naar voren, maar geeft ook voorbeelden van goede samenwerking tussen hen. Naast betrouwbare informatie over de Islam bevat een flink deel van de nota een theologische beoordeling van deze godsdienst. Ook dat is grote winst, want veel kerken zijn daar nimmer aan toe gekomen.

Hiermee eindigt het goede nieuws. Het theologisch gedeelte van de nota is conservatief en defensief. Dat komt al uit in de titel van de nota: Integriteit en respect. De nota zegt op p. 15: ‘Bij een poging de islam te verstaan zal de kerk zich moeten bewegen in het spanningsveld tussen integriteit en respect. Enerzijds kan de kerk haar integriteit als gemeenschap van Jezus Christus niet opgeven, anderzijds zal zij ernaar moeten streven anderen die Christus niet volgen als schepselen van God te respecteren en vanuit de liefde van Christus met hen te blijven werken aan de vrede voor de maatschappij.’ Dit had wel wat ruimhartiger gekund. De nota had als titel kunnen dragen: ‘Verbondenheid en respect’. Overal waar het kon had de verbondenheid onderstreept kunnen worden. Dat gebeurt nu niet. Ik geef drie aangelegen voorbeelden. Allereerst als het gaat over Gods betrokkenheid op de Islam. Dit maakt de nota er van op p. 17: ‘De kerk zoekt naar de balans tussen enerzijds het vasthouden aan de belijdenis dat Jezus Christus op unieke wijze Heer en Verlosser is en aan de andere kant de erkenning dat ook andere religies als de islam niet buiten Gods aanwezigheid en soevereiniteit kunnen vallen. Er is ruimte voor de erkenning, dat God werkt in al het zoeken van mensen naar de waarheid; de Geest van God werkt in heel de werkelijkheid.’ Ruimhartig had hier kunnen staan wat Mulder al vele jaren geleden schreef: ‘De islam heeft ernstig gezocht naar de God die in Oud en Nieuw Testament wordt verkondigd en hij is omtrent die God tot belangrijke inzichten gekomen.’ Een tweede voorbeeld: Als het op p. 22 gaat over Mohammed dan lezen we daar in een uiterst summier stukje: ‘De kerk kan op grond van Gods volle openbaring in Jezus Christus Mohammed dan ook niet erkennen als het Christus overstijgende zegel van de profeten. Wat God in Christus heeft gedaan, behoeft geen aanvulling.’ Op zich behoef je het daarmee niet oneens te zijn. Er had wel kunnen volgen: De kerk erkent Mohammed als profeet van God die in zijn dagen misstanden aan de kaak stelde, de mensen opriep zich tot God te bekeren en zich af te wenden van onrecht. Men kan Mohammed toch wel minstens zien als een profeet zoals Amos? Het derde voorbeeld betreft het samen bidden en vieren. Over dit punt is in de kerk al veel geschreven. Dit maakt de nota er van op p. 26: ‘Het gebed tot de drie-enige God en in de naam van Christus onderscheidt het gebed van de kerk wezenlijk van dat van de moskee. Wel erkent en waardeert de kerk de eigenheid van de islamitische gebedstraditie en kan zij ook als toeschouwer daarbij te gast zijn. Anders gezegd: de kerk bidt wel ‘naast’, maar niet samen met moslims. Dat betekent ook dat islamitische en christelijke religieuze vieringen niet zomaar ineen kunnen worden geschoven. Kerkelijke vieringen zijn ook altijd trinitarisch van aard, het gaat om de lof van de drie-enige God. Dat kader zal richting moeten geven aan het nadenken over interreligieuze vieringen, inclusief interreligieuze huwelijksbevestigingen.’ Dit is een flinke stap terug, gelet op de praktijk. Er is in ons land en daarbuiten al vaak met moslims gebeden; zelfs de paus doet het al jaren. Er zijn, in Friesland, Zwolle en elders, veel interreligieuze vieringen geweest, goed van toon, integer van opzet. Er zijn interreligieuze gebedenboeken, bijvoorbeeld van de hand van de bekende Kenneth Cragg. Interreligieuze huwelijksdiensten hebben een eigen traditie ontwikkeld. Dat de nota waarschuwt voor onzorgvuldigheid is terecht; dat hier gesuggereerd wordt dat interreligieuze vieringen eigenlijk niet mogelijk zijn is onterecht.

Tenslotte: Op p. 21 komt de verhouding tussen Kerk, Israël en de Islam aan de orde. Ook hier had een ruimhartiger geest mogen waaien. Er had bijvoorbeeld gezegd moeten worden dat moslims Jezus zien als Woord van God en dat Hij gesterkt is met de geest der Heiligheid. Ook wordt Hij Messias genoemd, al lijkt dat woord in de Koran niet de bijbelse lading te hebben. Deze geluiden missen, en dat is een gemiste kans. Kortom, de nota doet geen recht aan de diversiteit die er binnen de Protestantse Kerk is; we horen in de nota slechts één standpunt; ook had de stem van deskundigen [de eigen groep ‘Ontmoeting moslims’ binnen de Dienstenorganisatie en de werkgroep Islam van de Raad van Kerken] niet mogen ontbreken.

Burgumer dominee Kraan heeft het mis

 

Vrijdag komt een andere belangwekkende nota aan de orde, getiteld Integriteit en respect, opgesteld door een andere Fries: Bernhard Reitsma. Voordat de Islamnota ter tafel komt heeft een Friese dominee, Jaap Kraan, predikant te Burgum, er in een webblog al op gereageerd, en vrij negatief. Hij wijst veel goeds in de nota aan, maar heeft drie belangrijke kritiekpunten. Ten eerste

verwijt hij Reitsma dat die er te weinig oog voor heeft dat de islam aangaande de God van de Bijbel ‘tot belangrijke inzichten’ is gekomen. Daar kijk ik van op! Ik daag Kraan uit mij één ‘belangrijk inzicht’ te noemen waartoe de islam met betrekking tot de God van de Bijbel is gekomen dat we uit de Bijbel zelf nog niet wisten. Ik verwacht per omgaande zijn reactie in deze krant, want ik vind dat de lezers er recht op hebben te vernemen wat wij van de islam over de God van de Bijbel kunnen leren.

Valse profeet

Ten tweede had Kraan graag in de nota gelezen: ‘De kerk erkent Mohammed als profeet van God die in zijn dagen misstanden aan de kaak stelde, de mensen opriep zich tot God te bekeren en zich af te wenden van onrecht. Men kan Mohammed toch wel minstens zien als een profeet zoals Amos?’ Hoe nu? Mohammed een profeet in Bijbelse zin? Een profeet die de essentiële waarheden van het jodendom (JHWH is de God van Israël, die de beloften ten aanzien van zijn volk waarmaakt) en het christendom (Jezus Zoon van God, Verzoener van de zonden, gestorven en opgestaan) loochent? Indien een profeet in Bijbelse zin, dan een valse profeet. Mohammed valt in de categorie van de ‘antichristen’ die volgens 1 Johannes 2:22 ontkennen dat Jezus de Christus (de gezalfde Koning van Israël) is en die de Vader en de Zoon niet erkennen.

Ten derde betreurt Kraan het dat de nota de interreligieuze vieringen met moslims in Fryslân en elders aan banden legt. Maar dat lijkt me nu juist zeer terecht! Ontmoetingen met moslims, indringende gesprekken met hen, het kweken van meer begrip over en weer, het uitbannen van allerlei vooroordelen, samen actie voeren tegen gemeenschappelijke vijanden – allemaal prima.

Onherkenbaar

Maar samen bidden? Tot wie!? Je kunt er een (vrij zinloos) gesprek over voeren of de God van de Bijbel en die van de Koran ‘dezelfde’ zijn of niet. Maar dit kun je in elk geval zeggen: Mohammed heeft zijn wijsheid over Allah ontleend aan joden en christenen – maar hij heeft het beeld van die God zo verdraaid dat het bijna onherkenbaar is geworden. En dan samen bidden? Terwijl de een gelooft dat God zich op het hoogst heeft geopenbaard in Christus, en de ander dat God zich in een profeet heeft geopenbaard die al het wezenlijke aan Christus loochent? Laten we wijzer zijn!

Islam zou doodbloeden als het niet iets met God van doen had

Burgum – Prof.dr. Willem Ouweneel daagde ds. Jaap Kraan uit Burgum dinsdag in het ‘Friesch Dagblad’ uit om de lezers uit te leggen wat christenen van de islam over de God van de Bijbel kunnen leren. Kraan reageert. Volgens hem is Mohammed wel degelijk een profeet, kunnen christenen samen met moslims bidden en is de islam niet los van God.

Wat mij treft in Ouweneels artikel is de toon: christenen hebben het bij het rechte eind, moslims zitten er helemaal naast; Mohammed heeft het beeld van God moedwillig verdraaid en is een valse profeet. Dat de islam omtrent de God van de Bijbel tot belangrijke inzichten gekomen zou zijn, is voor Ouweneel onmogelijk.

Zijn harde opstelling doet mij denken aan het joodse Sanhedrin uit Handelingen 5, die Petrus en de andere discipelen streng zou willen straffen. Het Sanhedrin kon zich niet voorstellen dat wat de discipelen zeiden over Jezus, uit God zou kunnen zijn. Totdat Gamaliël ingreep; hij zei tot het Sanhedrin: Als dit uit God is, kun je de Jezus-beweging niet stoppen; als dit niet uit God is, bloedt de beweging vanzelf doodt.

De parallel ligt voor de hand: de islam is ontstaan na het christendom; christenen kunnen zich niet voorstellen dat God iets met de islam van doen heeft; maar als God en de islam iets met elkaar te maken hebben, zullen wij dit niet kunnen stoppen; en anders bloedt de islam vanzelf dood. Daar lijkt het echter niet echt op!

Islam als correctie

Zou de islam ontstaan kunnen zijn als een correctie voor christenen, zodat zij de eenheid van God weer zouden benadrukken nadat zij over de Triniteit (drie-eenheid) en de Christologie (de leer over Christus) eeuwen ruzie gemaakt en elkaar zelfs vervolgd hadden? Als moslims de Apostolische Geloofsbelijdenis op zouden zeggen, dan zouden zij met christenen het volgende kunnen belijden: ‘Wij geloven in één God, de Almachtige, Schepper van hemel en aarde, en in Jezus Christus, die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria, opgevaren ten hemel, vanwaar Hij komen zal. Ik geloof in de Heilige Geest, in vergeving van zonden, wederopstanding van het vlees en een eeuwig leven.’

Dat is nogal wat! Natuurlijk weet ik wat er weggelaten is; dat zijn kernzaken van het geloof; daarom word ik ook geen moslim. Maar als dit gezegd is, blijft er veel gemeenschappelijk: Het geloof in de ene God, een God die vergeeft, die liefheeft, die mensen leiding geeft, die Schepper is van de mens; het geloof in Jezus, bekleed met de Geest der Heiligheid, Messias, die weerkomt aan het einde van de tijden; het geloof in het laatste oordeel, enzovoorts.

Ouweneel gaat er helemaal aan voorbij dat God de God van alle volken is en de Schepper van alle mensen en als zodanig toegang houdt tot het hart van elk mens. In de Bijbel komen ongelovigen of andersgelovigen dan ook niet alleen maar negatief ter sprake. Integendeel, vaak kunnen de vromen veel van hen leren. De voorbeelden liggen voor de hand: Melchizedek; Jethro; Ismaël; Rachab uit Jericho; Naäman; Jona, die van Ninevé kan leren wat bekering is; Kores, die messias genoemd wordt; Elia, van de hongerdood gered door de vrouw uit Sarfat; Ruth, de Moabitische uit wie koning David voortkomt. Bijzondere aandacht verdient psalm 87: daar worden de vijanden van Israël (Filistijn, Tyriër, Moor) aangezien alsof ze in Jeruzalem geboren zijn en dus automatisch tot Gods verbondsvolk behoren. Naast Israël gaf God ook aan andere volken hun Exodus, Amos 9:7.

En Jezus? Hij heeft naast joods bloed ook het bloed der volken. Hij komt niet alleen uit Abrahams schoot, maar ook uit die van Rachab, van Ruth en van Tamar. De vromen in Jeruzalem heten Hem geen welkom, maar de wijzen uit het Oosten eren Hem namens de volken en redden zijn leven. Dan wordt Jezus gered door uit te wijken naar Egypte.

Steeds weer komen andersgelovigen op een positieve wijze ter sprake. In een gelijkenis wordt een Samaritaan als barmhartig voorgesteld, in tegenstelling tot een priester en een wetgeleerde. Als tien melaatsen genezen worden, vergeten negen te bedanken, maar de tiende die het wel doet is een Samaritaan. Van de hoofdman te Kapernaüm wordt gezegd dat niemand zo’n groot geloof had als hij, en hij was een Romein. De Syro-Phoenicische vrouw overtroeft Jezus zelfs door Hem te overtuigen dat kruimeltjes ook brood zijn en haar kind ook genezing verdient. Later zal een Romeinse hoofdman bij het kruis belijden dat deze Jezus waarlijk Gods zoon was.

Humaniteit

Ouweneel legitimeert zich door Jezus te benoemen als Zoon van God, Verzoener van de zonden, gestorven en opgestaan; ik zeg het hem graag na. Maar als Jezus zelf het laatste oordeel uitspreekt dan vallen al die grote woorden weg: In Matteüs 25: 31-46 blijkt niet de dogmatiek, de kerkgang of zelfs het geloof doorslaggevend, maar humaniteit: Ben je medemens geweest van de hongerige, de dorstige, de naakte, de vreemdeling? In de Koran vind je ook de oproep om zo te leven. Daarom is Mohammed een profeet, kunnen wij samen met moslims bidden en is de islam niet los van God.

Tenslotte: Ouweneel noemt Mohammed een valse profeet of een anti-christen; hij vergeet dat Mohammed geen Bijbel gelezen heeft en zijn kennis van het joden- en christendom op moest doen tijdens zijn reizen. Hij heeft oprecht getracht weer te geven van deze godsdiensten wat hij ervan begrepen had. Bewuste misleiding is niet aan de orde. Uit het feit dat Mohammed in zijn polemiek met de Joden ontkende dat zij Jezus werkelijk hebben gekruisigd, blijkt dat hij tot dat moment nog bijzonder weinig over het christendom wist. Uit de hele Koran blijkt nergens dat Mohammed ook maar iets afwist van de heilsbetekenis die christenen hechten aan het kruis, laat staan dat hij enig besef zou hebben gehad van een verzoeningsleer. Dus is van bewuste ontkenning geen sprake. Het zou Ouweneel sieren als hij zijn oordelen zou matigen.

Kraan zegt veel waars, maar zit ook mis met Koran-uitleg

In mijn column had ik ds. Jaap Kraan uit Burgum uitgedaagd mij te vertellen wat voor belangrijke dingen de islam over de God van de Bijbel heeft ontdekt die wij uit de Bijbel nog niet wisten. Want dit had hij gesuggereerd. Ik ben blij dat hij heeft geantwoord, maar het enige dat ik hem vroeg, heeft hij helaas niet verteld.

Ik had trouwens niet geschreven dat moslims ‘er helemaal naast zitten’. Er staat een heleboel in de Koran dat juist is –maar dat is ook precies dat wat Mohammed op zijn reizen van joden en christenen had gehoord. Dat hij daarbij ook veel niet begrepen heeft, ligt voor de hand. Zo dacht hij dat Maryam (Maria), de moeder van Jezus, dezelfde was als Maryam (Mirjam), de zuster van Mozes. Toen Mohammed op dat soort verschillen attent werd gemaakt, beweerde hij gewoon dat de Bijbel fout was en dat hij het goed had.

Vorig jaar heb ik college gegeven aan een theologische faculteit in Indonesië en ben daarbij met de studenten door de Koran heen gewandeld om hen te helpen hun moslimvrienden vanuit de Koran te laten zien wie Jezus is. Natuurlijk bevat de Koran veel waarheid! Maar dat waars is afkomstig uit de Bijbel, is vermengd met veel ónwaarheid en heeft geen enkele toegevoegde waarde.

Kraans opmerking over Gamaliël snijdt geen hout. Hindoeïsme en boeddhisme bestaan al veel langer dan het christendom – dat is toch geen bewijs dat zij ‘uit God’ zijn. Bewegingen die niet ‘uit God’ zijn, bloeden helaas niet vanzelf dood.

Dat de islam onder Gods toelating ontstaan is als een gesel voor de oosterse christenheid, die een paar eeuwen van godsdiensttwisten en scheuringen achter zich had, mag waar zijn. De Assyriërs waren een tuchtroede van Gods toorn voor Israël (Jesaja 10:5) – maar dat pleit in geen enkel opzicht voor de Assyriërs, die nog erger dan Israël waren.

Voor de rest is veel van wat Kraan zegt, mij uit het hart gegrepen (zoals over ‘andersdenkende gelovigen’) en voor de discussie dan ook niet erg relevant. Met deze twee kanttekeningen: in Mattheüs 25 gaat het niet om de houding tegenover ‘medemensen’ in het algemeen, maar tegenover ‘broeders van de Koning’. Dat betekent voor mij onder andere: de houding van moslims tegenover joden en christenen. Ten tweede: Kraan excuseert Mohammeds fouten – en dat doe ik ook graag- maar hij vergeet dat Mohammed zich presenteerde als profeet van Allah, die door inspiratie van God de absolute waarheid verkondigde. Mohammed is geen valse profeet omdat hij fouten maakte, maar omdat hij claimde een waar profeet te zijn, wiens woorden op straffe des doods moesten worden aanvaard, terwijl hij in werkelijkheid onwaarheden over God vertelde. Het zou Kraan sieren als hij dat wilde erkennen.

Profeet Mohammed vertelde ook waarheid over God

Ouweneel wil antwoord op de vraag wat voor belangrijke dingen de islam over de God van de bijbel heeft ontdekt die wij uit de bijbel nog niet wisten. Want dat zou ik ergens gesuggereerd hebben. Ouweneel reageerde op mijn weblog, en daar staat deze suggestie niet. Bovendien: Nooit heb ik mij ergens op deze wijze uitgedrukt, want deze vraagstelling deugt niet. Altijd druk ik mij uit in de sfeer van dit citaat van prof. Mulder: ‘De islam heeft ernstig gezocht naar de God die in Oud en Nieuw Testament wordt verkondigd en hij is omtrent die God tot belangrijke inzichten gekomen.’

Vervolgens stelt Ouweneel dat de waarheid, die de Koran bevat, uit de Bijbel afkomstig is, vermengd is met veel onwaarheid en geen enkele toegevoegde waarde heeft. Mijn betoog was nu juist dat God zich niet onbetuigd heeft gelaten; dat houdt in dat christenen zich op zijn minst af zouden moeten vragen of God via Mohammed en de koran toch iets te zeggen zou hebben, waarover christenen kunnen nadenken. Als men alleen uitgaat van het eigen gelijk of van de stelling dat de ander ons niets te zeggen heeft, kan men beter niet aan een gesprek beginnen.

Ten derde snijdt volgens Ouweneel mijn opmerking over Gamaliël geen hout. Want hindoeïsme en boeddhisme bestaan al veel langer. Mijn punt was nu juist dit: Zoals het christendom ontstond na het jodendom -en joden zich niet konden voorstellen dat die nieuwe beweging uit God was-, zo is de islam ontstaan ná het christendom. En evenzo kunnen christenen zich niet voorstellen dat God iets met de islam van doen heeft. Daar staan hindoeïsme en boeddhisme buiten, want die godsdiensten bestonden al. En dat ze nog steeds bestaan mogen we zien als een teken dat God zich ook in deze godsdiensten niet onbetuigd laat.

Wat Mattheüs 25 betreft: Ouweneel legt die tekst uit zoals Berkhof, H.N. Ridderbos en anderen; mijn uitleg, dat met de minste broeders nu net niet de leerlingen van Jezus bedoeld worden, heb ik met zeven argumenten verantwoord in mijn boek ‘Bijbel en andersgelovigen’, Kampen, 1987, p. 71 en verder.

Dat de woorden van Mohammed op straffe des doods aanvaard moesten worden terwijl hij onwaarheid over God vertelde is aantoonbaar onjuist. Natuurlijk hebben moslims wel mensen onder dwang bekeerd, net als christenen; maar Mohammeds optreden in Mekka vanaf zijn eerste optreden lijkt eerder op Jeremia die weggehoond werd door Hananja [Jeremia 28], dan dat hij iemand het mes op de keel zette. Bovendien vertelde hij óok waarheid over God en was hij niet bezig met bewuste misleiding, maar gaf hij de [Bijbelse] boodschap weer zoals hij het begrepen had, zoals ik vorige keer heb uitgelegd.

* Hij is oud-docent van de Evangelische Hogeschool in Amersfoort en van de Evangelische Theologische Academie in Zwijndrecht en is verbonden aan de Evangelische Theologische Faculteit in Leuven. Hij is auteur van vele boeken op het terrein van theologie en filosofie.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *