Geloof(sgetuigen) en natuurwetenschap

Preek dd. 16-8-‘20 in 'de Ikker', Bergum
Tekst: Hebr. 11

Welkom en mededelingen
Zingen Ps. 78: 2
Onze hulp en groet
Kyriëgebed
Zingen glorialied 302 : 1
Gebed
Lezen: Hebr. 11: 1-3; 17 t/m 40
Zingen lied 723: 2
Verkondiging
Zingen lied 848: 1 t/m 5
Gebeden
Inzameling
Zingen lied 837: 2 en 3
Zegen, gevolgd door gezongen Amen

Literatuur
A. van den Beukel, De dingen hebben hun geheim, Ten Have, Baarn, 1990.

Gemeente van onze Heer,
Hebr. 11 begint heel filosofisch: het geloof overtuigt ons van de waarheid van wat we niet zien.
De waarheid! Wat de Bijbel doorgeeft klopt. Maar je ziet het niet, je kunt het niet aanwijzen of bewijzen, je moet het maar geloven.
En daar hebben wij moeite mee, met dat geloven. Er zijn heel veel vragen en de meeste mensen stellen ze nauwelijks meer. Ze willen er niet meer over nadenken. Bestaat God? Heeft God de wereld geschapen en de mens? Is er leven na de dood? Kunnen wonderen gebeuren? Als kerk en kerkmensen hebben wij ons behoorlijk in het defensief laten drukken. Geloven dominee? We hebben toch de wetenschap? Dan weet je tenminste waar je aan toe bent. Een heelal en een aarde, 4½ miljard jaar oud, evolutietheorie, wis- en natuurkunde, wetten van Pythagoras of Newton, allemaal bewezen en ga zo maar door. Toch zit het iets ingewikkelder dan u misschien denkt. Ik hoef alleen maar te vragen: ‘gelooft u dat God bestaat en kunt u dat bewijzen?’. Heel veel mensen zeggen ‘God bestaat niet’. Maar dat kunnen ze niet bewijzen. Christenen kunnen overigens ook niet bewijzen dát God wel bestaat, ze geloven het. Maar iemand anders kan dus evenmin bewijzen dat God niet bestaat, hij of zij moet dat ook maar geloven. Dit lijkt een woordenspelletje maar niets is minder waar. Als wij mensen tegenkomen die vanzelfsprekend poneren dat God niet bestaat zijn wij meestal onmondig en bedremmeld. In plaats van dat we tegengas geven en zeggen: je mag dat best zeggen, maar dan doe je wel een geloofsuitspraak, want bewijzen kun je het niet. Dus staat in deze wereld geloof tegenover geloof ondanks alle wiskunde, kosmologie of natuurwetenschap.

Laat ik er maar een direct een ander voorbeeld aan vast knopen: een uitspraak als ‘Jezus is tegelijk waarachtig God en waarachtig mens’ wordt geïrriteerd als onzinnig terzijde geschoven. Bijbelse onzin, hoe zou dit ooit kunnen: mens en God tegelijk. Wie dit zegt kan weggehoond worden, zeker als je zoiets op de universiteit van Delft zegt. Maar is licht dan niet een golfverschijnsel én een deeltjesstroom? En een volstrekt dezelfde stelling dat ‘een elektron tegelijk een deeltje en een golf is’ wordt met eerbiedig ontzag aangehoord. Ja professor, goed professor, natuurlijk professor. Maar hoe zou dit tegelijk kunnen: een elektron is een deeltje én een golf? Toch kan het, uit de werking van het elektron hebben we dit afgeleid. En waarom kunnen we zeggen dat Jezus tegelijk echt God en echt mens was? Omdat we dit afgeleid hebben van wat we zagen: we zagen Hem onder ons als mens én in Hem hebben wij God ontmoet. Dus waarom zouden christenen in vredesnaam hierom uitgelachen moeten worden?

Want is er wel iets zeker in de wetenschap? Casimir, een natuurkundige, zei terecht: ‘natuurkundige theorieën zijn een beschrijving van een beperkt deel van de natuurkundige verschijnselen, die op hun beurt slechts een beperkt deel van onze menselijke ervaringen uitmaken’. Geleerden kennen slechts ten dele en echte geleerden zijn bescheiden mensen. Want: staat er in de wetenschap niet heel veel op zijn kop na Einstein of de onzekerheidsrelaties van Heisenberg? In de kwantummechanica is geen sprake meer van een zogenaamde objectieve werkelijkheid. Theorieën kunnen niet eens experimenteel bevestigd worden. Je moet het maar geloven want er is geen verifieerbare werkelijkheid die onafhankelijk is van onze waarneming. De waarnemer en het waargenomene zijn één en onscheidbaar. Dat betekent ook dat natuurwetten niet langer alles kunnen voorspellen of herleid kunnen worden tot allerlei oorzaken. Of, nog een ander voorbeeld: in de wiskunde gaan we uit van axioma’s, bepaalde uitgangspunten. Die zijn onbewijsbaar; onbewijsbaar! Dus die moeten we maar geloven! Je kunt gemakkelijk zeggen: de wetenschap is objectief, geloof is subjectief, maar de wetenschap is niet objectief want de waarnemer en het waargenomene zijn onscheidbaar. Met andere woorden: wat ik waarneem en uitleg hangt van mij af, is dus subjectief. Bovendien: kan de wetenschap vragen beantwoorden als ‘wat is het doel van ons leven?’ of ‘waar loopt de geschiedenis op uit?’ Dat soort vragen kan de wetenschap niet beantwoorden. Daarvoor heb je theologie nodig of filosofie.

Als dat nu toch zo is kunnen we nog eens onbevangen kijken naar de opstanding van Jezus uit de doden. Weer zoiets waar je direct hoofdschuddend afstand van kan nemen. Wonderen kunnen niet, dit wonder al helemaal niet. Een leeg graf? Een steen weggerold? Sommige christenen zeggen dan: je moet de opstanding geestelijk verstaan; dat betekent: Jezus is niet echt opgestaan maar leeft voort in de geest van zijn volgelingen. Maar zo lees je het niet in de Bijbel; daar lees je dat geen mens met de opstanding had gerekend; daar lees je dat de vrouwen totaal overstuur raken, dat de discipelen glashard ontkennen tot ze zelf in het lege graf kunnen kijken of de handen van Jezus kunnen aanraken zoals Thomas. Al die verhalen ontkrachten de sinds Freud algemeen verbreide opvatting dat geloof een projectie is, dat mensen alleen maar dingen geloven die ze graag willen geloven. Wij kunnen nu, na 2000 jaar, zeggen: er moet een opstanding zijn geweest omdat Christus nu leeft; omdat Hij zijn Geest stuurde en stuurt die de mensen al meer dan tweeduizend jaar geïnspireerd heeft tot soms ongelooflijke dingen. Het rijtje van Hebr. 11 kunnen wij eindeloos aanvullen: door het geloof heeft Fransiscus van Assisi zijn rijkdom afgezworen en gekozen voor de armen en de misdeelden; door het geloof heeft zuster Theresa haar leven gewijd aan de armen van Calcutta. Door het geloof heeft ds. Beyers Naudé de apartheidsideologie aan de kaak gesteld en gekozen voor zijn zwarte broeders en zusters. Door het geloof hebben Blaise Pascal, Ruusbroec, Teresa van Avila, Martin Luther King en vele anderen diepgaande Godservaringen gekregen die hun leven totaal veranderd hebben. Dat zijn feiten, gemeente, dit hoeven we niet te geloven, we hebben het gezien en meegemaakt.

En zo hebben wij God leren kennen. Langs de weg van de geloofsgetuigen; door naar ons hart te luisteren. Door te geloven in Gods openbaring. Paulus zegt daarvan in 1 Kor. 2: 9: ‘wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen…dat heeft God ons geopenbaard. Wijsheid en liefde van boven, niet van beneden, niet vanuit onszelf. En, zo zeggen de disicpelen, wij zijn ooggetuigen, wij hebben Jezus gezien, onze handen hebben Hem getast, we hebben Hem gehoord, ons hart brandde in ons.


Want hoe zijn wij tot geloof gekomen? Voor de meesten van ons geldt toch dat wij getuigen van het geloof hebben gehoord en ontmoet? Onze ouders, onderwijzers, voorgangers, vrienden, gelovigen uit alle tijden en werelddelen. We zijn onder de indruk geraakt van de weg die de geloofsgetuigen wezen en zelf gingen. Hebreeën 11 noemt vele geloofsgetuigen. Zij lieten zich leiden door de Geest van God en vertrouwden God op hun soms moeilijke weg. Van Abel tot Abraham, van Jeremia tot Jezus, van Henoch tot Elia, van Mozes tot Jesaja. Heel vaak moesten zij ervaren wat in Hebr. 11: 13 staat: vaak zagen ze geen werkelijkheid worden waarop zij hoopten, of ze hebben daarvan een glimp gezien. Door zijn geloof bouwde Noach een schip op het droge en iedereen verklaarde hem voor gek. Door zijn geloof gaf Jezus zijn leven voor de mensen in deze wereld en iedereen schreef Hem toen af. Maar Hij had gezegd: dit evangelie zal door de hele wereld gaan en alle volken bereiken. En is dat gebeurd of niet?! In Hebr. 11: 39 staat dat allerlei mensen Gods belofte nooit in vervulling hebben zien gaan, maar daar horen wij dus niet bij. Want wij hebben gezien dat het evangelie de wereld doorgetrokken is en het getuigenis en geloof van vele christenen uit de geschiedenis wijst ons de weg. Altijd en overal zijn er herkenbare kinderen van God geweest. Ook wij zijn een weg ingeslagen en vol vertrouwen proberen we op die weg verder te gaan. De weg van Noach, Bonhoeffer, Abraham, moeder Theresa, Martin Luther King en Jezus. Hebr. 12:1: we zijn omringd door een wolk van geloofsgetuigen; daarom kunnen wij met volharding de weg gaan die Jezus en anderen ons wezen. Amen

Genesis 1: Schepping én evolutie

Genesis 1 is geen geschiedenisverhaal. Op school hebben wij vroeger een aantal dingen verkeerd geleerd. Wij hebben in de volgorde van onze Bijbelboeken na de boeken van Mozes (Torah) allerlei boeken als zogenaamde geschiedenisboeken bij elkaar gezet: Richteren, Samuël, Koningen, Kronieken. In de hebreeuwse Bijbel, ons Oude of Eerste Testament, komen na de Torah de vroege profeten; daaronder vallen boeken als Samuël en Koningen. Met andere woorden: het gaat in die boeken niet allerleerst om geschiedenissen, maar om een geschiedenis in het licht van Gods oog, bezien door een profeet bijvoorbeeld. Allerlei historische details, die soms ook niet kloppen, doen er helemaal niets toe.

Ook Genesis 1 is geen geschiedenisverhaal. Het is één groot lied, met als eerste refrein: God zag dat het goed was en als tweede refrein ‘toen was het avond geweest en morgen, de eerste, de tweede, de derde dag’. Dit lied van de schepping vertelt dat God aan het begin staat, Schepper is van hemel en aarde, van dieren en planten en van de mens. Zonder God geen schepping, geen mens, geen leven. En als God in het begin de schepping niet gezegend had, mens, dier en plant, dan was er geen leven of groei mogelijk geweest. Nooit kunnen wij ‘kinderen maken’ en al evenmin kunnen wij ‘een kind nemen’! Dat er kinderen geboren kunnen worden is uitsluitend te danken aan Gods zegen, toen, in het begin.

God schiep de wereld, de planten, de dieren en de mensen. Zo hebben we het dus geleerd. In de kerk. Maar op school, op de universiteit, in de krant, op tv horen wij een heel ander verhaal. Daar horen wij, en ik houd het simpel, dat de aarde ongeveer vierenhalf miljard jaar oud is, dat de mens laat, zo’n 60 miljoen jaar geleden, op het wereldtoneel is verschenen en uit een aap is ontstaan. In musea bewonderen we skeletten van dinosaurussen die miljoenen jaren geleden op aarde rond liepen en vermoedelijk uitstierven door de inslag van een meteoriet. Op televisie zien we documentaires die de Big Bang uitleggen en het ontstaan van het heelal. Gelovigen lijken daarmee in twee werkelijkheden te leven, namelijk in een religieuze, waarin God wordt beleden als Schepper van hemel en aarde, en een alledaagse waarin de evolutietheorie wordt aanvaard als verklaring voor het ontstaan van al het leven op aarde.

Velen van ons gaan in het dagelijks leven uit van de evolutietheorie en de visie van de wetenschap op de schepping. Maar zondag in de kerk zitten ze in een andere wereld, de wereld van het geloof; doch als het er op aan komt klopt er natuurlijk niets van die Bijbel, denken velen vaak stiekem.

Zijn er dus twee werkelijkheden, één van de wetenschap en één van het geloof? Dat kan natuurlijk niet, want er is maar één werkelijkheid. Hoe moeten we hiermee omgaan? Zo: geloof en natuurwetenschap  zeggen elk op hun eigen wijze iets over onze ene concrete werkelijkheid. De evolutietheorie is geen geloof, al maken velen dat er wel van, maar een theorie. Een theorie berust op onderzoek en probeert verschijnselen te verklaren. Als de theorie niet meer klopt, wordt die vervangen door een andere, betere theorie. Zo gebeurde het ooit door Copernicus. In de Middeleeuwen en daarvoor dachten we dat de zon om de aarde draaide; Copernicus en anderen vervingen die theorie: de aarde draait om de zon! Wij hebben het in onze tijd ook meegemaakt toen de theorie van de zwaartekracht van Newton vervangen werd door de relativiteitstheorie van Einstein. Tot nader orde geldt nu deze theorie.

Natuurwetenschappelijke theorieën kennen echter ook hun beperkingen. Ze zijn opgesteld om een natuurverschijnsel causaal te verklaren. Daar houdt het dan ook mee op! Want ze kunnen geen zin of betekenis aan het leven geven of richtlijnen voor een goed leven, of een moreel oordeel vellen.

Naast verstand hebben mensen bovendien gevoel, is er  spiritualiteit, het ontwikkelen van de geestelijke vermogens, is er vrijheid van keuze, fantaseren, mediteren, bidden, liefhebben, troosten, kunstvaardig zijn enz. Veel grote natuurwetenschappers hebben beseft dat er meer is dan het verstand, en dat een mens niet compleet is met enkel het verstand. God speelde volgens Einstein wel een rol in het creëren van het universum, al was het alleen maar omdat de natuur perfect is opgebouwd uit wiskundige formules. Hij zei ook: ‘Wetenschap zonder religie is kreupel, religie zonder wetenschap is blind.’ Geloof en natuurwetenschap hebben het over deze ene werkelijkheid, maar praten daarover elk op hun eigen wijs.

Ik geef een simpel voorbeeld: hier heb ik een glas water. Op dat water kan ik een lofzang zingen: zonder vruchtwater geen baby; zonder water is geen leven mogelijk; water redt je leven in de woestijn; water draagt je schip over de oceaan; water maakt de zwemsport mogelijk, en zo kan ik doorgaan in mijn lofzang over water. Wat zegt de natuurwetenschap, in dit geval de scheikunde? Water is simpelweg H2O! Wat is waar? Het is toch allebei waar? Er is één werkelijkheid: water. De wetenschap zegt: H2O; het geloof zegt: wat een gave van God. Dát kan de natuurwetenschap niet zeggen; die wetenschap bemoeit zich niet met vragen als: is er een God? Wat is het doel van het mensenleven? Wat is goed en wat is kwaad? Daar weet de wetenschap niets van; daarvoor doe je de Bijbel open. Dus geloof en wetenschap bijten elkaar niet en ze gaan over de ene, dezelfde werkelijkheid. Wij als gelovigen behoeven geen gespleten mensen te zijn: op zondag bezig met het geloof, door de week bezig met de wetenschap. We zijn één als mens, maar in de kerk oefenen we onszelf er in om met andere ogen naar die ene werkelijkheid te kijken. In de kerk hebben we het niet over H2O, maar over God die het water schiep én het water zijn plek wees. Als sterren of sterrenstelsels botsen bespreken die niet de vraag of dat goed of kwaad is, noch kunnen ze er voor kiezen om te botsen of niet. Maar wij mensen weten wel van goed en kwaad, en wij hebben een keuze. In Genesis is er daarom de vertelling van de boom van de kennis van goed en kwaad én God gaf mensen een keuze: wel of niet van die boom eten. Kijk, al die zaken kan de natuurwetenschap ons niet vertellen. Maar waar zouden we zijn als mens, als we niet meer wisten wat goed en wat kwaad was, als we niet meer wisten dat we in ons leven kunnen kiezen. Voor al die fundamentele kennis moet je in de kerk zitten! Het geloof geeft ons een bredere blik, laat ons dingen ontdekken die de natuurwetenschappen niet kunnen ontdekken, dingen die te maken hebben met betekenis, doel,  relaties en de zin van het leven.

Genesis 1 is dus een geloofslied, hoewel er ook ontwikkeling is, evolutie wat mij betreft: het gaat van land en water naar planten, dan dieren en dan mensen.

En waarom is Genesis 1 in de bijbel gekomen? De meeste geleerden nemen aan dat in de tijd van de Babylonische ballingschap de laatste hand gelegd is aan dit bijbelgedeelte. In een tijd dus waarin Joden in den vreemde waren, in Babel, in een land waar zon en maan aanbeden werden als goden, waar geweld heerste, chaos en duisternis. In die tijd moet Genesis 1 geklonken hebben als een geweldige preek: Zon en maan goden? Vergeet het maar, het zijn lampjes, door God aan het plafond gehangen. En die machtige, goddelijke mensen? Toe nu toch, het zijn maar schepsels van God; gemaakt van leem, het stelt niet zoveel voor. En de natuur dan? Dat zijn alleen maar wat planten en bomen om het mooi te maken en voor eten te zorgen. Zo mag je Genesis 1 zien als een lied tegen de angst, een licht in het duister.

Nog twee opmerkingen: 1/ Wij hebben zeer vaak het idee dat scheppen betekent: iets maken uit niets. Eigenlijk toveren! Wie Gen. 1 leest, ontdekt dat scheppen niet toveren is, maar vooral scheiding maken. Scheiding tussen hemel en aarde, tussen water en land, tussen licht en duister.

2/ De tweede opmerking gaat over het begin van dit hoofdstuk. De aanhef van Genesis 1 luidt in het hebreeuws Beresjit. Wij vertalen dat veelal met In den beginne. Het is de vraag of dat wel recht doet aan wat hier bedoeld wordt. Wie vertaalt ‘in den beginne’ verplaatst die schepping naar een ver verleden, maakt van deze openbaring weer een geschiedenisverhaal. Maar het gaat hier niet zozeer om geschiedenis, doch veeleer om openbaring, om ons dát te zeggen waar wij niet bij stil staan. In het hebreeuws staat ook geen lidwoord. Er staat dus niet: In den beginne. Er staat: in begin, in beginsel, van hoofde aan. In dit woord zitten in het hebreeuws ook betekenissen als: hoofd, vorst, van hoofde af aan. Het gaat hier dus om hoofdzaken. Het gaat er om dat God de scheppende is, vanaf het allereerste begin. En tot nu toe. Want dat God de schepping onderhoudt en al met de herschepping begonnen is, klinkt hier eveneens mee. Dat moeten we weten! Alleen al daarom moet je er niet een geschiedenisje van maken; zo van: ooit gebeurd, en daarna niets meer.

Het gaat hier dus om een ballade, niet om een kroniek; het gaat om een verhaal, niet om een verslag. Het gaat om een verhaal dat uitloopt op de schepping van de mens. Daarna volgt de sjabbat, de rust. Als de mens eindelijk geschapen is, kan God ter ruste gaan. Van hoofde aan gaat het om de mens. De mens als kroon der schepping.

Vanmorgen vieren wij feest. Op een dag van rust, bezinning, en ontspanning. Het voornaamste is niet dat we dat op zondag doen; joden doen het op zaterdag, moslims op vrijdag en in Pakistan heb ik ruim 7 jaar op zondag gewerkt en op vrijdag vrij gehad. Zondag, de dag van de opstanding, is een prima keuze; maar het voornaamste is dat je één dag in de week afstand neemt van je werk, je mobieltje enz. Rust, andere dingen, tijd voor elkaar. Nu, vandaag, vieren we dat God zich met ons verbonden heeft, vooral door die ene mens te sturen, Jezus Christus. Die ons zei en voordeed dat God liefde is, iets wat de wetenschap ons niet kan vertellen. Die met ons de maaltijd vierde, en ons vrienden en vriendinnen noemde. Amen.

Over God en de keizer en waar het echt op aankomt…

                            Tekst: Marc. 12: 17

We kunnen zonder overdrijving zeggen dat de tekst uit Marcus 12: 13-17 de basis is geworden om allerlei theorieën op te bouwen: Geef aan de keizer wat van de keizer is en geef aan God wat God toebehoort. Allerlei theorieën rond kerk en staat gaan terug op Marcus 12. De hele twee-rijkenleer van Luther rust op deze tekst. De Lutherse kerk in Duitsland leefde de scheiding tussen kerk en staat strikt na. Met als uiterste consequentie dat de kerk zich zelfs in de tijd van het Nazi-regiem weinig of niet met de politiek bemoeide op sommige verzetsstrijders na zoals Bonhoeffer. Wat Hitler zei en deed behoorde tot het terrein van de keizer en de kerk moest daarbuiten blijven. Met desastreuze gevolgen!

Die scheiding is natuurlijk een grote misvatting: het geloof heeft overal mee te maken of het heeft nergens mee te maken. Het geloof behoort je hele leven te beïnvloeden: de keuze van je werk, de keuze van je partner, de keuze van je vakantieland, je hele gedrag, de partij die je stemt, alles wordt beïnvloed door je geloof. En als we dat nog niet wisten uit de Bijbel kun je het van moslims leren, want ook zij zien het leven als een geheel en van een scheiding van kerk en staat moeten ze niets weten. Lees “Over God en de keizer en waar het echt op aankomt…” verder

2017 en ‘Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen’ (2 Kor. 5:17)

Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen… Ja, ja…
Ik denk aan een verhaal van de beroemde Russische schrijver Tolstoi die eens vertelde dat een soldaat een stel verkleumde bedelaars wegjoeg, bij de warme kachel vandaan. Tolstoi zei toen tegen die soldaat: ‘heeft u nooit het evangelie gelezen?’ Waarop de soldaat een moment sprakeloos was, maar toen terugsneerde: ‘meneer, heeft u het kazernereglement nooit gelezen?’
Daar heb je de spanning tussen het oude en het nieuwe; het evangelie kiest voor menselijkheid en barmhartigheid, het kazernereglement kiest voor de oude wetten en regeltjes, ook al betekent dat dat mensen dan moeten lijden. En zo laten wij vluchtelingen op het griekse eiland Lesbos in de sneeuw zitten of aan de grens bij Albanië. Dat het heel erg vriest is dan jammer. ‘Europa’ had afgesproken vluchtelingen daar weg te halen en te verdelen over diverse landen, maar het komt er niet van zogenaamd; beter gezegd: we willen het niet.
Momenteel in de wereld zie je alles teruggaan naar het oude: de Obamacare wordt weer afgeschaft, de koude oorlog tussen Rusland en het Westen is terug, Europa is uit en het oude nationalisme is in: door de Brexit, door Marine Le Pen, door Wilders, door Norbert Hofer van de FPÖ in Oostenrijk, door Victor Orbán in Hongerije, door de Poolse leider Kaczynski, die lak heeft aan democratie, door de chinese leider Xi Jinping, die eilandjes inpikt in de Zuid-Chinese Zee om de oude droom van een groot Chinees wereldrijk kracht bij te zetten, door Tayyip Erdogan in Turkije, die weldenkende mensen de bak in slingert en een rood waas voor de ogen krijgt als het woord ‘Koerden’ valt en natuurlijk door Trump, die vrijhandels- en klimaatverdragen naar de prullebak verwijst en moslims wil weren uit een aantal islamitische landen. Op 21 januari 2017 was er een conferentie waar o.a. Le Pen, Wilders en Frauke Petry (Alternative für Deutschland) waren. Frauke zei: Eerst hadden we Nazi-Duitsland, toen De Russen en nu Europa… Of je ‘Europa’ kunt vergelijken met de knoet van De Russen… Of je de regels uit ‘Brussel’ gelijk kunt stellen met de moord op 6 miljoen joden door Nazi-Duitsland. Godgeklaagd, zo’n demagogische en stomme uitspraak! Kijkend naar onze wereld kun je in feite alleen maar zeggen: het nieuwe is verdwenen, het oude is teruggekomen. Lees “2017 en ‘Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen’ (2 Kor. 5:17)” verder

Daniël 5

Wie is God, en hoe leer je God kennen? Een vraag die veel christenen in verlegenheid brengt. Voor veel christenen heeft God nauwelijks een gezicht. Natuurlijk, er moet wel iets of iemand zijn, alles in deze wereld kan niet toevallig ontstaan zijn… God is een gevoel, misschien, maar omschrijven hoe God is, nee! Psalm 146 hebben wij deze morgen aan het begin van de dienst en na de lezing uit de Bijbel helemaal gezongen. Welnu,die psalm maakt treffend duidelijk wie God is. God krijgt een gezicht in dit lied. Het is de God die de hemel en de aarde gemaakt heeft, die trouw blijft aan de mensen, recht doet aan verdrukten, eten geeft aan hongerigen, opkomt voor de vreemdeling, de weduwe, de wees, blinden ziende maakt, gebogenen opricht en de weg van de goddelozen krom maakt. Deze God kiest dus en trekt grenzen. Deze God heeft een gezicht en gaat soms daadwerkelijk tegen mensen in. De gebogenen mogen op God rekenen, de goddelozen krijgen een geducht tegenstander aan Hem. God is geen allemans vriend, is het niet met iedereen eens, en staat niet aan ieders kant. Niet aan de kant van de goddelozen bijvoorbeeld.
Wie is dan goddeloos? De buitenkerkelijke, een humanist, iemand die niet christelijk is? Al die mensen per definitie goddeloos? En alle christenen per definitie aan de goede kant van de streep? Zo kun je er natuurlijk niet over praten. Er zijn goddeloze christenen en Gode welgevallige buitenkerkelijken of andersgelovigen. Wat is dat dan, goddeloos? Dat is doen alsof er geen God is. Dat is doen wat tegen God ingaat. Wat gaat dan tegen God in? Het antwoord is eenvoudig, loop Psalm 146 maar weer na. Goddeloos is de goede schepping van God vernietigen voor eigen gewin, de verdrukten verder verdrukken, geen eten geven aan de hongerigen, niet opkomen voor de vreemdeling, de weduwe, de wees; de blinden aan hun lot overlaten, de gebogenen niet oprichten en de weg van de goddelozen plaveien en ze geen strobreed in de weg leggen. Daniël 5 is een mooie illustratie van het feit dat God de weg van de goddeloze Belsazar krom maakt. God trekt een grens. Het is einde verhaal. Lees “Daniël 5” verder

Marcus 9: 30-37

 

We hebben deze week* weer heel wat pracht en praal gezien. Prinsjesdag, de rijtoer, de balkonscene, de troonrede, extra beveiliging, gespeculeer of de Majesteit zal aftreden en de algemene beschouwingen. Om twee dagen de debatten te volgen kan nooit goed zijn voor de geloofwaardigheid van de politiek. Haantjesgedrag van politici geeft weinig vertrouwen dat zij de zaak van de gewone burger dienen. Afgezien van een goede grap, zoals het voorstel van Pechtold om een nietje te slaan door de stapel rapporten die het kabinet al had vervaardigd teneinde te bewijzen dat een samenhangend beleid al lang voorhanden is, was er weinig te lachen. Eerder was er wat te huilen zoals bij het voorstel van Wilders om een ‘kopvoddentax’ in te voeren van € 1000,- per jaar. Waarom geen belasting ingevoerd op de toga van de rechter en de predikant of de muts van de professor of de advocaat? Daar houdt Wilders zich niet mee bezig; hij kijkt alleen naar één bevolkingsgroep die hij voortdurend beledigt. Lees “Marcus 9: 30-37” verder

Hoe uniek is Kerstnacht?

Kerst* begon al eeuwen voordat het Kerstnacht was. Al een paar duizend jaar voor de geboorte van Jezus werd ’s winters in Mesopotamië het feest van de zonnewende gevierd met het ontsteken van grote vuren, het zingen van liederen langs de huizen en het geven van geschenken. De wereld was immers ontstaan, zo zei men, toen de god Mardoek een leefbare orde had geschapen door de monsters der duisternis te verslaan. Maar die orde van licht en leven was altijd bedreigd. Mensen moesten daarom steeds Mardoek te hulp snellen en meevechten tegen de duistere machten en wat is dan een betere gelegenheid dan die duistere periode in december? Dus werd feest gevierd en licht aangestoken en de duisternis verdreven. Eeuwen later dook in Griekenland een soortgelijk feest op waarop gevierd werd hoe Zeus Kronos en de Titanen verslagen had. In Egypte werd op 21 december Osiris begraven. Maar midden in de nacht kwamen dan uit een onderaardse grot priesters in processie met een naakt mannenbeeld, roepende: De maagd heeft gebaard, het licht is verschenen. In Rome werden van 17 tot 24 december tijdens de Saturnusfeesten grote diners aangericht, cadeaus uitgewisseld, huizen versierd en lichtjes in groene bomen aangestoken. In de oude Vedische geschriften van India komt een zonnegod voor die later onder de naam Mythras populair werd in Perzië en daarna in Rome. Herders waren er getuige van hoe hij geboren werd uit een rots als aanvoerder van de legioenen van het licht tegen de machten der duisternis. Zelfs in Londen is een Mythrastempel opgegraven. In 274 benoemde keizer Aurelianus Mythras tot staatsgod; hij stond voor de onoverwonnen zon en zijn dag werd gevierd op 25 december. Van Mythras werd verteld dat hij stierf en weer opstond en zijn vereerders dronken symbolisch zijn bloed om te vieren dat hij in henzelf opnieuw geboren werd. Lees “Hoe uniek is Kerstnacht?” verder

God op bezoek… (Lucas 4: 14-30)

 

Het zal je maar gebeuren wat die mensen in Nazareth overkwam: Je leest uit de Bijbel, iemand staat op, zegt: Ik ben Jezus en al die woorden handelen over Mij. Ik ben de vervulling van die oude woorden van Jesaja. Ik ben gekomen, juist voor die armen, zieken, vreemdelingen, voor de mensen die niet tellen en zijn afgeschreven. In een psychiatrische inrichting heb ik het wel meegemaakt dat iemand zich als Jezus bekend maakt. Hoewel je bedacht bent op merkwaardige gebeurtenissen in Franeker, of vroeger in Vogelenzang, word je dan toch zeer verrast. Het zal je maar gebeuren hier vanmorgen dat iemand op staat en zegt: ‘Ik ben Jezus, en die woorden die Lucas Mij in de mond legt gaan nu voor jullie allemaal in vervulling.’ Hoe zouden wij reageren op zo’n Messias?Misschien dat we niet allemaal even blij zouden zijn. Laat ik een voorbeeld geven. Ooit las ik het boek van Peter Ustinov, getiteld De oude man en meneer Smith. Met de oude man wordt in dat boek God bedoeld en met meneer Smith de satan. In het boek wordt verteld dat God en satan elkaar weer spreken voor het eerst sinds eeuwen en samen de aarde bezoeken. Lees “God op bezoek… (Lucas 4: 14-30)” verder

Amos 1 en 2

 

De hoofdstukken 1 en 2 van Amos zijn prachtig en schematisch geconstrueerd, zoals hieronder uitgelegd zal worden, en je moet ze geheel lezen om daar achter te komen.  Amos was een profeet die optrad rond 750 voor Chr. In die tijd was er het kleine koninkrijk Juda, dat de stammen Juda en Benjamin omvatte en daarnaast het koninkrijk Israël, het zogenaamde tienstammenrijk. Amos werkte niet in Juda, maar profeteerde in Israël in de tijd van koning Jerobeam II [786-746], toen er zich belangrijke sociale veranderingen voltrokken. In de buurlanden Egypte en Assyrië was verval opgetreden. Syrië was in die tijd evenmin een bedreiging voor Israël en Juda. Lees “Amos 1 en 2” verder

Daniël 3

 

Tijd van ontstaan van het boek

Het boek Daniël is geschreven kort na de dood van dictator Antiochus Epifanes IV, dus rond 164 v. Chr. In die tijd werden de Joden zeer vervolgd. Men richtte o.a. afgodsbeelden in de tempel in Jeruzalem op. Daniël 3 behoort tot de volksverhalen, die vanuit de ballingschap in omloop waren. De losse verhalen uit de tijd van de Babylonische ballingschap werden tot een geheel verweven om de Joden in die moeilijke tijd rond 164 voor Chr. steun te bieden: Kijk eens wat toen gebeurde; vat moed voor nu… Centraal thema is de inculturatie: Hoe behoud je je identiteit in deze nieuwe situatie? Hoe kun je Jood blijven terwijl vreemde machten ons trachten te dwingen ons geloof overboord te zetten? Terwijl de vijand ons ertoe dwingt ons Jood-zijn te verloochenen? De vervolging in die dagen is in hevigheid en gruwelijkheid te vergelijken met wat Hitler deed in de vernietigingskampen. Het boek Daniël is in het hebreeuws geschreven, maar bevat ook grote Aramese stukken: 2: 4b-7:28! Aramees was de omgangstaal van die dagen. Ook Jezus sprak het. Vermoedelijk waren die oude Aramese verhalen de oorsprong van het boek, en een redakteur heeft bij die verhalen aanvullingen gemaakt en zijn eigen apocalyptische zienswijze eraan vastgeknoopt. Hij of zij is er in geslaagd toch enige samenhang aan te brengen in het geheel. Lees “Daniël 3” verder